De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vindt de wachtlijsten voor logopedie en ergotherapie zorgelijk. Patiënten wachten maanden en soms zelfs langer terwijl de vraag door onder meer de vergrijzing en het langer zelfstandig thuis wonen naar verwachting toe zal nemen. Maar wie gaat die wachtlijsten wegwerken? Er zijn namelijk niet genoeg professionals om aan die groeiende vraag te voldoen.
De NZa weet waar het knelt
De NZa wil dat de toegang tot logopedie en ergotherapie verbetert en dat de wachtlijsten korter worden. Uit onderzoek van de toezichthouder blijkt dat de toegankelijkheid van beide vormen van zorg onder druk staat. Tegelijkertijd constateert de NZa zelf dat de zorgvraag groter is dan het aanbod en dat de tekorten op de arbeidsmarkt een belangrijke oorzaak zijn van de lange wachttijden. Onder meer een tekort aan afgestudeerde professionals en het vertrek van professionals uit de eerste lijn spelen daarbij een rol.
De wachtlijst groeit, maar de beroepsgroep niet
De arbeidsmarkt voor logopedisten staat al langere tijd onder druk. In 2023 maakte Nivel een capaciteitsraming. Daaruit bleek dat ongeveer 11 procent van de benodigde capaciteit aan logopedisten ontbrak. In het rapport is te lezen dat de onderzoekers verwachten dat de vraag naar logopedisten de komende jaren verder toeneemt.
Cijfers van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) laten zien dat de tekorten ook in de praktijk zichtbaar zijn. In 2024 had 85 procent van de eerstelijnspraktijken een wachtlijst. Bij 69,3 procent van de praktijken duurde de wachtlijst langer dan een jaar. Ook vacatures zijn moeilijk te vervullen. De meest genoemde redenen daarvoor zijn dat er geen reacties op vacatures komen en dat er onvoldoende afgestudeerde logopedisten beschikbaar zijn.
Ook bij ergotherapie zijn er capaciteitsproblemen. Uit een ledenenquête van Ergotherapie Nederland blijkt dat bijna vier op de vijf eerstelijnspraktijken een wachtlijst hebben of geen nieuwe patiënten meer aannemen. Bij 54 procent van de praktijken bedraagt de wachttijd vijf weken of langer. Daarnaast geeft ongeveer twee derde van de praktijken aan dat vacatures moeilijk in te vullen zijn. Ook personeelsverloop speelt een rol. Van de respondenten in de eerste lijn noemt 44 procent arbeidsvoorwaarden en onvoldoende inkomen als belangrijkste reden voor het vertrek van collega’s.
Waarom vertrekken professionals?
De NZa noemt verschillende redenen waarom professionals de eerste lijn verlaten. Een relatief laag ervaren salaris en het grote aandeel indirecte werkzaamheden zoals administratie, overleg en reistijd worden genoemd. De toezichthouder stelt dat arbeidsvoorwaarden op orde moeten zijn om de eerste lijn aantrekkelijk te houden. Ergotherapie Nederland wijst eveneens op het vertrek van ergotherapeuten uit de eerste lijn en noemt arbeidsvoorwaarden, werkdruk en administratieve belasting als factoren. De NVLF signaleert eveneens dat vacatures moeilijk te vervullen zijn en dat de arbeidsvoorwaarden een rol spelen. Daarmee gaat het niet alleen om de voorwaarden waaronder professionals werken, maar ook om de ruimte die zij hebben om hun werk zelf in te richten. Een recente rechterlijke uitspraak over een zzp-logopedist laat bijvoorbeeld zien dat een logopedist binnen een praktijk als zelfstandige kan werken en daarbij zelf bepaalt welke patiënten worden geholpen en wanneer.
Toch spelen de problemen rondom werkomstandigheden breder dan alleen bij deze beroepsgroepen. Ook bij andere zorgprofessionals worden werkdruk, administratieve lasten en arbeidsvoorwaarden genoemd als redenen om minder te gaan werken of de zorg te verlaten. Eerder onderzoek onder zorgprofessionals laat zien dat achter de term ‘werkdruk’ verschillende oorzaken schuilgaan.
Minder administratie lost het personeelstekort niet vanzelf op
Het Integraal Zorgakkoord (IZA) uit 2022 en het daarop volgende Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) uit 2025 bevatten afspraken om de beschikbare capaciteit in de zorg beter te benutten en het arbeidsmarkttekort terug te dringen. Het AZWA heeft als doel om het verwachte arbeidsmarkttekort in 2028 met 100.000 personen lager te laten uitkomen dan zonder de maatregelen. Eén van die maatregelen is het terugdringen van administratieve lasten. Ook de paramedische zorg valt onder de afspraken om onnodige administratieve lasten terug te dringen. De ambitie is dat zorgprofessionals in 2030 maximaal 20 procent van hun werktijd aan administratie besteden.
Minder tijd aan indirecte werkzaamheden kan zorgprofessionals meer ruimte geven voor patiëntenzorg, maar daarmee zijn er nog niet automatisch meer logopedisten en ergotherapeuten beschikbaar. Want tegelijkertijd wil de NZa dat de wachtlijsten korter worden, terwijl het tekort aan professionals volgens de toezichthouder zelf een belangrijke oorzaak van de wachtlijsten is.
Daar komt bij dat de doelstellingen rond het verminderen van administratieve lasten nog niet zijn gehaald. Tijdens een notaoverleg over het arbeidsmarktbeleid in de zorg in juni 2026 erkende minister Sterk dat de doelstelling voor het terugdringen van regeldruk bij lange na niet is gehaald.
Meer ‘passende zorg’ vraagt meer van de eerste lijn
De zorg moet de komende tijd juist inzetten op de transitie naar ‘passende zorg’. Daarvoor is een sterke eerste lijn nodig, omdat door de vergrijzing, de beweging naar passende zorg en het langer thuis wonen steeds meer mensen een beroep doen op eerstelijnszorg. Logopedie en ergotherapie kunnen bijdragen aan het voorkomen van zwaardere zorg en het ondersteunen van mensen die langer zelfstandig thuis wonen. In de Visie Eerstelijnszorg 2030 is afgesproken dat de eerste lijn toegankelijk en beschikbaar moet blijven en dat de beschikbare capaciteit beter moet worden benut.
De NZa weet waar een belangrijk deel van het probleem zit: er zijn te weinig professionals om aan de vraag te voldoen. Tegelijkertijd zijn er al sinds 2022 afspraken om de arbeidsmarkt in de zorg te verbeteren, terwijl de NZa in 2026 opnieuw constateert dat de toegang tot logopedie en ergotherapie onder druk staat. De ambities voor de eerste lijn en de arbeidsmarkt komen daarmee bij elkaar. De zorg moet dichter bij huis georganiseerd worden onder mom van ‘passende zorg’. Maar wie gaat die extra zorg in de eerste lijn leveren?