We zien zorgorganisaties opting-in contracten aanbieden aan zorgprofessionals. Dit wordt gepresenteerd als een oplossing tegen de risico’s van schijnzelfstandigheid. Dat is echter niet het geval. Bij opting-in houdt de opdrachtgever loonheffing en Zvw premies in op de inkomsten van de werkende en draagt dit af aan de Belastingdienst. De pseudo-werknemer wordt ‘verloond’, maar schijnzelfstandigheid is nog steeds mogelijk.
Zorgorganisaties bieden zzp’ers een opting-in contract aan
We hebben de afgelopen weken verschillende voorbeelden voorbij zien komen van zzp’ers die van een zorgorganisatie een opting-in contract aangeboden krijgen. Dit is een reactie op de risico’s die een zorgorganisatie loopt met schijnzelfstandigheid. Het probleem is echter dat een opting-in contract deze risico’s voor de zorgorganisatie maar zeer beperkt voorkomt. Het risico op naheffingen is dus niet weg. De contractvorm opting-in is namelijk niet bedoeld voor ondernemers of werknemers, maar voor een restgroep van werkenden die zelfstandig losse klussen of projecten doen. Voor de belastingen heet dit “overige inkomsten uit werkzaamheden”. Werkenden via opting-in zijn geen zzp’er, maar hebben ook geen volwaardige dienstbetrekking.
Wat is opting-in?
Op het moment dat een opdrachtgever zeker wil weten dat werkenden inkomstenbelasting betalen over hun inkomen, kunnen zij kiezen voor opting-in. Bij deze regeling ontvangt een werkende inkomsten waarvoor loonheffing en Zvw premies worden ingehouden. De werkende ontvangt hierdoor netto loon, maar zonder de bescherming van een volwaardig dienstverband. De opdrachtgever en de werkende maken samen afspraken om de regeling toe te passen en melden dit bij de Belastingdienst. De Belastingdienst is hier blij mee, want “om verrassingen achteraf bij uw aanslag inkomstenbelasting te voorkomen, kunnen u en uw opdrachtgever kiezen voor opting-in.” Daarmee is opting-in een clausule in de overeenkomst van opdracht dat loonheffing en Zvw premies via de opdrachtgever worden afgedragen. Een oplossing voor de risico’s van schijnzelfstandigheid is opting-in zeker niet.
Opting-in kan nog steeds leiden tot schijnzelfstandigheid
Omdat opting in geen volledige arbeidsovereenkomst is, spelen de risico’s op naheffingen nog steeds. Opting-in gaat wel over fiscaliteit, maar niet over het arbeidsrecht. Zowel opdrachtgevers als zzp’ers blijven verantwoordelijk voor het naleven van de regels rond arbeidsrelaties.
Als we kijken naar de kosten voor een opdrachtgever bij schijnzelfstandigheid, dan worden bij opting-in loonbelasting (inclusief premies volksverzekering) en premie Zvw afgedragen. Dat geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen. Daar zijn werkenden onder opting-in dan ook niet voor verzekerd. Ook voor het arbeidsrecht heeft opting–in geen gevolgen, dus een opdrachtgever krijgt met zo’n constructie geen extra zekerheid. Blijkt iemand achteraf toch in loondienst gewerkt te hebben, dan is de opdrachtgever niet gevrijwaard van de arbeidsrechtelijke consequenties, zoals ontslagbescherming en recht op vakantiedagen en – geld.
Opting-in is geen oplossing voor schijnzelfstandigheid
We zien voorbeelden voorbij komen waarbij beroepsgroepen zoals zzp Helpenden, maar ook zelfstandige behandelaren opting-in contracten aangeboden krijgen. Wat blijkt?
- Opting-in is fiscaal alvast loonheffing afdragen en netto geld uitbetalen, maar is geen volwaardige dienstbetrekking;
- De arbeidsrechtelijke (verkapte) dienstbetrekking kan nog steeds ontstaan bij schijnzelfstandigheid;
- Een opdrachtgever kan bij opting-in nog steeds geconfronteerd worden met verplichtingen zoals doorbetaling bij ziekte of ontslagbescherming;
- Bij opting-in wordt de werkende mogelijk onterecht uitgesloten van sociale zekerheidsrechten, zoals een uitkering bij ziekte of werkloosheid;
- Opting-in biedt geen vrijwaring voor de opdrachtgever bij de risico’s op schijnzelfstandigheid.
Opting-in is geen oplossing voor schijnzelfstandigheid.