Bij een waarnemend zzp huisarts en een waarnemend zzp tandarts werd een verzoek om btw-vrijstelling aanleiding om een inhoudelijke beoordeling te doen over het ondernemerschap in de zorg. In beide gevallen werd het een oordeel ‘geen ondernemer’ afgegeven en moest de zorgprofessional vervolgens in verweer komen tegen deze afwijzing. In beide gevallen kwam de Belastingdienst op een later moment terug op haar eerdere oordeel. Klopt de beoordeling van schijnzelfstandigheid in de zorg door de Belastingdienst nog wel?
Belastingdienst streept ondernemerschap zzp’ers door
Op het moment dat twee zzp’ers in de eerstelijnszorg na hun inschrijving bij de KvK een BTW vrijstelling voor hun werk aanvragen, stelt de Belastingdienst dat zij niet kwalificeren als ondernemer. “Op basis van de feiten en omstandigheden ben ik van mening dat de werkzaamheden die u als tandarts … verricht, op basis is van een arbeidsovereenkomst. Daarom bent u geen ondernemer voor de omzetbelasting.”
In meerdere gevallen komt de Belastingdienst ná het verweer van de zzp’ers inmiddels op haar standpunt terug. Zowel de tandarts als de huisarts hadden toch voldoende professionele autonomie, ondernemerskenmerken én bleken aansprakelijk voor eigen werk. Klopt de aanvliegroute waarmee de Belastingdienst de beoordeling van schijnzelfstandigheid in de zorg doet wel?
De aanpak in het kort
Hoe verloopt de aanpak vanuit de Belastingdienst richting zzp’ers in de zorg? In het geval van de zzp tandarts en zzp huisarts, werd dezelfde route gevolgd.
- De zzp’er komt in beeld bij de Belastingdienst bij een aanvraag van een vrijstelling van btw-verplichtingen of bij het deactiveren van een btw-nummer;
- Op dat moment stelt de Belastingdienst het ondernemerschap ter discussie. De Belastingdienst stuurt een brief met daarin de aanname dat de zzp’er eigenlijk een werknemer is en verbindt daar direct consequenties aan. Bij zowel de huisarts als de tandarts leidt dit tot een oordeel ‘geen ondernemer’;
- Bij goede argumenten is het mogelijk om de Belastingdienst er uiteindelijk van te overtuigen dat wél sprake is van ondernemerschap of zelfstandigheid. Maar dat kan heel lang duren. In het geval van een huisarts duurde het een half jaar en werd uiteindelijk met hulp van de beroepsorganisatie LHV de zaak gekanteld.
Fiscaal jurist Jasper Commandeur kent voorbeelden zoals deze van binnenuit. “In brieven die ik heb ingezien staat de aanname dat werkgeversinstructies worden gegeven, dat de aansprakelijkheid bij de opdrachtgever ligt en dat er te weinig ondernemerschap is. Wat zeker in het geval van een huisarts die hier vorige week over schreef op Linkedin best bijzonder was. Zij had ondernemersrisico, professionele autonomie en werkte voor maar liefst 17 opdrachtgevers. Maar dat was voor de Belastingdienst nog steeds niet genoeg.”
De feiten veranderden niet, het oordeel van de fiscus wel
De feiten veranderden niet, maar het oordeel van de fiscus wel. De omstandigheden die uiteindelijk het ondernemerschap bevestigden, bestonden al vanaf het begin. Pas na een uitgebreid verweer werden zij volledig meegewogen. De gevolgen van zo’n lang lopende procedure bleven voor huisarts Ingrid Lieverse niet beperkt tot een juridisch geschil. In haar terugblik beschrijft zij hoeveel tijd, energie en onzekerheid het kostte om haar ondernemerschap te verdedigen. Maandenlang moest zij documenten verzamelen, juridische argumenten uitwerken en sectorspecifieke wetgeving toelichten om aannemelijk te maken dat zij wél ondernemer was. Het was vooral aan haar beroepsorganisatie te danken dat zij de worsteling goed afrondde. Pas na een uitgebreid verweerschrift kwam de Belastingdienst terug op haar eerdere oordeel. Waarom werden de feiten niet vanaf het begin volledig in de beoordeling betrokken?
Het eerste besluit over zzp’ers in de eerstelijnszorg is gebaseerd op aannames
Waar zit de bron van de aanname dat zzp’ers in de zorg schijnzelfstandig zouden zijn?
In de uitwerking van de aan het Ministerie van VWS voorgelegde zzp zorgcasussen staat dat zelfstandig waarnemen als huisarts ‘lastig voorstelbaar is’. De eindverantwoordelijkheid die de opdrachtgever heeft voor de kwaliteit van de geleverde zorg zou ‘gezag’ met zich meebrengen. Dus een dienstbetrekking. Daarnaast wordt in de voorbeelden van zzp beoordelingen aangenomen dat de opdrachtgever met eigen protocollen, richtlijnen en roosters bepaalt hoe en wanneer er gewerkt moet worden. Dit zijn precies dezelfde argumenten die de Belastingdienst gebruikt bij de eerste beoordeling van de zzp huisarts en zzp tandarts.
Fiscaal jurist Commandeur merkte over de beoordelingen van VWS al eerder al op dat de ministeries en de Belastingdienst zich daar vergist lijken te hebben. De voorbeeld beoordelingen van de Belastingdienst op schijnzelfstandigheid in de zorg waren onbruikbaar. In beide eerstelijnscasussen kwam de Belastingdienst dan ook uiteindelijk tot een andere conclusie dan in de eerste beoordeling. Een arts kan wel voor eigen rekening en risico werken en verantwoordelijk en aansprakelijk zijn als solist. Dat is belangrijk, zo stelt Commandeur, want daarmee valt het voornaamste argument weg voor de conclusie op voorhand dat zelfstandig waarnemen als arts ‘lastig voorstelbaar’ is.
Ook benadrukt Commandeur dat wel- of niet ‘voorstelbaar’, niet relevant is. Het gaat bij alle belastingcontroles maar zeker ook bij een controle op schijnzelfstandigheid om waarheidsvinding door de Belastingdienst, niet om het voorstellingsvermogen van de Belastingdienst. Een vaststelling van relevante feiten en omstandigheden in een concrete situatie per geval is aan de orde. Bij een inhoudelijke controle zal vaak ook blijken dat de aanname onjuist is dat alle praktijken werken met werkinhoudelijke protocollen of verplichte roosters. Dat is niet zo. Daar is dan wel een inhoudelijke controle voor nodig.
Luister ook naar onze podcast over schijnzelfstandigheid en wat dit betekent voor zzp’ers in de zorg.
Waarom past de Belastingdienst haar aannames niet aan?
De beoordeelde huisarts beschrijft dat de gang van zaken haar heel veel stress gegeven heeft en veel tijd heeft gekost. Desondanks lijkt deze ‘handhavingsstrategie’ onverminderd doorgezet te worden. Maar kloppen de aannames over schijnzelfstandigheid in de zorg wel?
Uiteraard zegt de Belastingdienst bij het geval van een zzp tandarts en een zzp huisarts er snel even bij dat het slechts op deze ‘individuele situatie’ gaat. Dat andere zzp’ers in de zorg daar geen rechten aan kunnen ontlenen. Oftewel, de Belastingdienst mag wél groepen zzp’ers op één hoop gooien en stellen dat het ‘niet voorstelbaar’ is dat deze zzp’ers ondernemer zijn. Tenzij het tegendeel bewezen is. De groep zzp’ers mag géén conclusies verbinden aan de steeds grotere stapel aan voorbeelden dat zzp in de zorg níet schijnzelfstandigheid met zich meebrengt.
Nadat er jarenlang onterecht is gecommuniceerd dat er veel schijnzelfstandigheid in de zorg aanwezig zou zijn, is er een nieuwe fase aangebroken. Twee casussen die de media haalden laten zien dat die aanname niet zomaar vol te houden is. Wordt het niet eens tijd om terug te komen op de eerdere beoordelingen?
Lees verder