Een man ligt in het ziekenhuis. Niet omdat hij daar nog behandeld wordt, maar omdat hij nergens anders heen kan. Hij is te kwetsbaar om naar huis te gaan, maar een verpleeghuisplaats is er niet. En dus blijft hij dagenlang liggen om te wachten op zorg die ergens anders hoort plaats te vinden. Uit een artikel van NRC blijkt dit geen uitzondering meer te zijn. Toch noemen zorgbestuurders van verpleeghuizen lege bedden succesvol.
Minder zorg, meer verwachting
Ouderen moeten langer thuis blijven wonen en verpleeghuiszorg is daarom alleen nog beschikbaar voor de meest complexe zorg. Zelfredzaamheid wordt de norm. Door de vergrijzing en het personeelstekort moet de zorg anders georganiseerd worden. Zorgbestuurders van verpleeghuizen beschrijven het als ‘transformatie’ en vinden het beter aansluiten bij ouderen en leuker voor zorgmedewerkers. Op deze manier zouden ouderen langer vitaal blijven, meer regie houden over hun eigen leven en minder afhankelijk zijn van intensieve zorg. Als ouderen langer gezond blijven en meer zelf kunnen organiseren samen met naasten, zou de druk op de formele zorg afnemen en compenseert het een deel van de personeelstekorten. Maar waar blijven die ouderen dan die voorheen nog werden opgenomen in het verpleeghuis?
Wanneer thuis niet meer gaat
In een NRC-artikel neemt transferverpleegkundige Eveline van Bavel je mee in wat zij in haar werk ziet gebeuren. Zij merkt namelijk dat in het ziekenhuis steeds meer ouderen na een ziekenhuisopname niet meer naar huis kunnen. Dat komt omdat ouderen vanuit overheidsbeleid langer thuis moeten blijven wonen, ook wanneer dat eigenlijk niet meer goed gaat en niet meer verantwoord is. Achteruitgang blijft daardoor vaker en langer buiten beeld en problemen worden soms jarenlang simpelweg niet goed gezien. De transferverpleegkundige merkt in gesprekken met deze oudere patiënten dat hun gedachten vaak bij de situatie van vroeger blijven, terwijl de werkelijkheid allang is veranderd.
Crisis als startmoment voor verandering
Het langer thuis wonen gaat vaak goed totdat er iets gebeurt. Want wanneer iemand valt, een infectie krijgt of er een ander relatief klein incident voorkomt, wordt een situatie blootgelegd die al veel langer wankel was. Pas dan komt de problematiek van deze ouderen echt in beeld. Niet via de preventieve werking van de wijkverpleging, maar via een crisis op de spoedeisende hulp. Daar wordt zichtbaar wat zich soms al jarenlang achter de voordeur heeft afgespeeld. Mensen die verdwalen in hun eigen huis, mensen die eenzaam en sociaal geïsoleerd raken en ouderen die soms nog nauwelijks eten, omdat ze dat vergeten te doen. Kun je in zo’n geval nog spreken over zelfredzaamheid?
Verpleeghuis niet langer beschikbaar
In deze gevallen worden problemen verschoven. Want het probleem is niet weg, het bestaat nog steeds. Alleen is er zoals eerder geen vroegtijdige signalering en ondersteuning vanuit bijvoorbeeld wijkverpleging meer. Zorg die eerst in de wijk plaatsvond, komt pas later op gang wanneer het al mis is gegaan. Mensen belanden dan op de spoedeisende hulp en in het ziekenhuis. Daar worden beschikbare bedden bezet door mensen die daar medisch gezien niet meer thuishoren, maar nergens anders terechtkunnen. Naar huis gaan gaat niet meer, maar ook in het verpleeghuis is geen plaats. Ondertussen verschuift de druk naar andere plekken zoals de huisarts, die steeds vaker de regie moet nemen over de complexe thuissituaties. Naar mantelzorgers, die een steeds grotere verantwoordelijkheid dragen. En uiteindelijk naar de oudere zelf, die langer in een situatie blijft die eigenlijk niet meer veilig is, vaak zonder dat zelf te beseffen. De ouderenzorg verandert, maar komt niet vooruit.
Minder zorg of minder zichtbare zorg?
Aan de ene kant is er leegstand in verpleeghuizen doordat de complexe zorgvraag minder hard groeit dan werd voorspeld. Daarmee lijkt het op papier dat de ouderenzorg aan het verschuiven is en mogelijk zelfs afneemt. Zorgbestuurders claimen dit als een succes van hun transformatie. Aan de andere kant zien we dat de doorstroom in ziekenhuizen hapert, omdat er voor sommige oudere patiënten geen geschikte woonoplossingen meer zijn. Deze ouderen kunnen niet naar huis, maar kunnen ook nergens anders terecht.
Enerzijds lege bedden in het verpleeghuis, terwijl anderzijds ouderen het ziekenhuis belemmeren zonder medische noodzaak. Is er dan wel daadwerkelijk minder vraag naar zorg of is toegang tot zorg alleen moeilijker geworden? Wanneer ouderen pas in beeld komen op het moment dat hun situatie volledig is geëscaleerd, lijkt de zorgvraag tot die tijd kleiner dat het in werkelijkheid is. Als iemand niet in aanmerking komt voor een verpleeghuis of wijkzorg, wordt de situatie waarin zich iemand bevindt niet altijd gezien, niet geregistreerd en dus ook niet meegeteld. Maar uiteindelijk volgt de rekening, want langer thuis, betekent alsnog later in de crisis opvang. Het past bij de bredere beweging van minder registratie rondom kwaliteit van de ouderenzorg en daarmee lijken de overheidsdoelen behaald. Alleen wordt de zorgvraag niet minder, maar alleen steeds minder zichtbaar.
Wat niet wordt gezien, lijkt niet te bestaan
Is de zorgtransitie een échte oplossing, of is het vooral een verplaatsing? Zorg verschuift van het verpleeghuis naar huis, van de zorgprofessional naar de mantelzorger en van vroegtijdig signalen naar crisisopname. Verschuiving betekent niet automatisch vooruitgang en het dreigt af te leiden van de daadwerkelijke problemen. Want wat niet wordt gezien, lijkt niet te bestaan. Totdat het misgaat.