Volgens minister Agema (VWS) is de onrust door de aanpak op schijnzelfstandigheid in de zorg niet meer dan ‘strubbelingen’ op een ‘spannend moment’. Antwoorden op Kamervragen laten zien dat de minister continuïteit van zorg minder belangrijk vindt dan het terugduwen van het aantal zzp’ers. Zoals gebruikelijk vertelt de minister van Sociale Zaken weer niet het volledige verhaal.
Agema: geen zorginfarct, maar ‘strubbelingen’
Hoe kijkt minister Agema naar de onrust in de zorg, nu de aanpak op schijnzelfstandigheid voor angst en onzekerheid heeft gezorgd onder opdrachtgevers? Als alle zorgprofessionals volgens haar ‘hard nodig’ zijn, vallen zzp’ers daar dan ook onder? Hoe kijkt zij naar het behoud van vaste krachten? Vakbond Nu’91 gaf aan dat vaste medewerkers inmiddels de prijs betalen van het terugdringen van zzp-inzet; zij worden overvraagd. Het FD rapporteerde dat de zzp-stop operatiekamers sluit. Oftewel; wat zijn de gevolgen van de aanpak schijnzelfstandigheid voor de zorg?
Zeven weken nadat er Kamervragen werden gesteld, kwamen de antwoorden. Minister Agema is van mening dat het voor zorgorganisaties weliswaar een ‘spannend moment’ is in deze ‘transitie’, maar volgens haar zal het leiden tot een betere balans tussen vast en flexibel personeel. De aanpak schijnzelfstandigheid is volgens de minister een manier om ‘de balans te herstellen’ in organisaties waar het aandeel zzp’ers te groot werd. Gaten in het rooster horen erbij volgens de minister, want dat zijn plekken waar ‘schijnzelfstandigen niet meer ingezet worden.’ Zorgen over de gevolgen voor de praktijk heeft de minister niet. Deze ‘overgangsfase met strubbelingen’, is ‘geen dreigend zorginfarct’.
Duidelijkheid over wel / geen schijnzelfstandigheid blijft uit
De bron van de onrust over de inzet van zzp’ers, komt doordat niemand precies uit kan leggen wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid. Zo kreeg de Belastingdienst van de Tweede Kamer de opdracht om schijnzelfstandigheid heel specifiek te maken, maar daar kwam ze niet uit. Het valt niet precies uit te leggen. Hierdoor blijven opdrachtgevers in het duister tasten over wanneer je wel of niet te maken hebt met schijnzelfstandigheid. Toch suggereerde minister van Hijum van Sociale Zaken vorige week tijdens het commissiedebat zzp dat die duidelijkheid wel gegeven kan worden. Van Hijum: “Als we casussen voorgelegd krijgen met de vraag om duidelijkheid te geven, dan doen we dat, dan geven we duidelijkheid”. Volgens de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) is dat niet het geval. “We zijn nu drie maanden onderweg in ‘het handhavingsjaar met zachte landing’ maar er is tot op heden nog steeds geen duidelijkheid over wanneer de inzet van waarnemend huisartsen wordt beoordeeld als schijnzelfstandigheid en wanneer niet.” Wanneer je wél zzp’ers in kunt zetten in de zorg wil de minister en de Belastingdienst niet zeggen.
Minister van Hijum wekt de indruk dat er duidelijkheid is, maar in de praktijk blijft er veel onzekerheid bestaan.
Wat partijen zelf willen, doet er niet toe?
Een opmerkelijke passage in de Kamerbrief van minister Agema (VWS) en minister Van Hijum (SZW) luidt: “de voorkeur van de contractpartijen speelt geen rol bij de vraag of überhaupt sprake is van een dienstverband, of van werken als zelfstandige.” Anders gezegd: wat een zzp’er en opdrachtgever sámen willen afspreken, is niet belangrijk. Maar dat standpunt is juridisch onjuist. De Hoge Raad stelde in 2020 dat je eerst moet vaststellen wat partijen met elkaar hebben afgesproken (de ‘uitlegfase’). Pas daarna bepaal je of die afspraken voldoen aan de criteria voor een arbeidsovereenkomst (de kwalificatiefase). Minister Van Hijum slaat die eerste stap over en suggereert dat alleen de feiten in de praktijk ertoe doen. Daarmee kom je bijvoorbeeld direct in de gezagsdissussie terecht. Advocaat Joost van Ladesteijn legt uit dat de ministers weinig oog hebben voor het recht op contractvrijheid: mensen zelf mogen bepalen hoe ze samenwerken, zolang dat binnen de grenzen van de wet blijft.
De rechter beoordeelt de relatie tussen zzp’er en opdrachtgever dus anders dan de NSC minister uitlegt.
Opdrachtgevers en zzp’ers moeten het samen doen
We hebben een minister van Volksgezondheid die continuïteit van zorg minder belangrijk vindt dan het streven naar minder zzp’ers. We hebben een minister van Sociale Zaken die bewust niet het volledige verhaal vertelt. Wat moet je daarmee als zzp’er in de zorg?
Vooral lekker door ondernemen.
De landelijke koepels van werkgevers in de zorg vroegen eind vorig jaar steun van de ministers, maar kregen die niet. Voor opdrachtgevers wordt niet duidelijk wanneer ze het ‘goed’ doen. Zorgorganisaties staan er daarmee alleen voor. Beroepsorganisaties zoals die van de huisartsen krijgen geen duidelijkheid en daarmee staan ook beroepsgroepen op zoek naar vervanging er alleen voor. Zzp’ers in de zorg krijgen geen steun vanuit de politiek. Ook zij staan er alleen voor, maar daar zijn ze aan gewend. De conclusie? Opdrachtgevers en zzp’ers moeten het samen doen. Zorg ervoor dat je het gedrag vertoont van een zelfstandig ondernemer en toon aan dat je ondernemer bent. Vind opdrachtgevers die het aandurven om zzp’ers in te blijven huren. Je kunt ondernemen in de zorg, je mag ondernemen in de zorg. Niet een minister of de Belastingdienst, maar de rechter heeft het laatste woord.