Zorgprofessionals kijken niet vanuit een bepaalde contractvorm naar werk, maar naar grip op hun agenda. Want voorspelbaarheid over wanneer je werkt bepaalt hoeveel ruimte er overblijft voor het leven om werk heen. Terwijl cao’s proberen die behoefte aan grip binnen het vaste dienstverband te regelen, staan flexibele werkvormen steeds verder onder druk.
Is grip op de agenda het uitgangspunt?
In de politiek, bij beleidsmakers en zorgbestuurders wordt er vooral gekeken naar welke contractvorm zorgprofessionals zouden moeten omarmen. Het ‘vaste dienstverband als norm‘. ‘ZZP is niet solidair‘. ‘Oproepkrachten hebben bescherming nodig‘. Signalen die laten zien dat het vaste contract vanzelfsprekend zou moeten zijn. Dat is het niet. In de praktijk geven zorgprofessionals via hun gedrag al jarenlang een ander signaal af.
De behoefte aan grip op de agenda lijkt bepalender dan de contractvorm.
Niet vast, flex of zzp staat centraal, maar de vraag of je werk en privé goed kunt combineren. Eén op de drie zorgmedewerkers werkt links- of rechtsom op een flexibele manier en lost de behoefte aan regie over de agenda op die manier op. Voor vaste medewerkers probeert de CAO al langere tijd voorspelbare flexibiliteit te regelen. Dat is nog niet altijd de praktijk. Bij alle doelgroepen lijkt één voorname behoefte hetzelfde; hoe krijg ik een voorspelbare agenda? Een gezonde werk-privé balans blijkt voor zorgmedewerkers geen cherry picking, maar noodzaak.
Wel flexibel, niet onvoorspelbaar
De reacties onder video’s op TikTok en Facebook over dit onderwerp laten een duidelijk beeld zien. Zorgprofessionals staan open voor een flexibele houding als het gaat om de voorspelbaarheid van hun rooster vinden. Sterker nog, veel zorgmedewerkers geven aan dat invallen of een collega helpen onderdeel is van werken in de zorg. Toch ligt er ook een grens.
Op het moment dat werk écht onvoorspelbaar wordt, haken professionals af. Reacties onder de video’s gaan vaak over roosters die in principe op tijd bekend zijn, maar daarna alsnog gewijzigd worden. Geplande vrije tijd voelt daardoor minder vrij dan het zou moeten doen. Zorgprofessionals zoeken in de praktijk vooral een vorm van flexibiliteit die voorspelbaar genoeg blijft om er ook nog een privéleven naast te hebben. Zorgprofessionals met een nulurencontract, oproepcontract, uitzendcontract of als zzp’er dwingen dat in feite via hun werkvorm af. Voor vaste medewerkers met vaste uren moet vooral de CAO uitkomst bieden.
Voorspelbare roosters via de CAO
Wie de cao-onderhandelingen van de afgelopen tien jaar terugziet, merkt dat er via afspraken wordt geprobeerd de zorgmedewerker tegemoet te komen. Want wie bepaalt wanneer werk plaatsvindt? In alle grote zorgsectoren zijn stap voor stap afspraken aan de CAO toegevoegd die professionals een meer voorspelbaar rooster moeten geven. Voorbeelden hiervan zijn langere roosterperiodes, meer ruimte voor zelfroosteren en het recht op onbereikbaar zijn buiten werktijd.
In de VVT sector is deze ontwikkeling het sterkst. Vroeger ging de CAO over het aantal contracturen en toeslagen, nu ligt de nadruk op werk-privé balans, duurzame inzetbaarheid en regie over werktijden. Ook in het lopende cao-overleg van bijvoorbeeld NU’91 komt dat beeld terug. De bond zet niet alleen in op loon, maar ook op een uitbreiding van voorspelbaarheid over het rooster. Op die manier proberen cao’s flexibiliteit beter te organiseren. Werkgevers reageren daar terughoudend op, want moeten omgaan met een onzekere zorgvraag.
Zorgorganisaties moéten onvoorspelbare situaties oplossen
Zorgorganisaties draaien niet in een voorspelbare kantooromgeving, maar in een systeem van 24×7 zorgverlening. Ziekteverzuim, personeelstekorten en een wisselende zorgvraag brengt steeds grotere uitdagingen met zich mee. In het verleden werd onzekerheid opgevangen door het schuiven met diensten, de inzet van oproepkrachten binnen een flexpool of externe inhuur zoals zzp’ers. Dat is niet voldoende. Inmiddels is personele krapte en torenhoge werkdruk de norm. Zorgprofessionals zitten als gevolg daarvan aan hun grenzen.
Cao’s eisen daarom steeds meer voorspelbare flexibiliteit. Maar wie is dan verantwoordelijk voor het oplossen van onvoorspelbare flexibiliteit? In recente cao updates valt terug te lezen dat werkgevers grenzen aangeven over hoeveel voorspelbaarheid zij kunnen bieden aan vaste medewerkers. Dit veroorzaakt een probleem. Want als vaste medewerkers niet steeds in permanente onzekerheid willen zitten, waar kan de werkgever dan nog wel naartoe?
Flexibele werkvormen worden belemmerd of onmogelijk gemaakt
Terwijl zorgprofessionals en zorgorganisaties proberen grip op de agenda en het rooster te krijgen, worden de werkvormen waarmee dat mogelijk is steeds verder bemoeilijkt. Interne flexpools geven zorgmedewerkers meer keuze, maar het nulurencontract en oproepcontract moet per 1 januari 2027 verdwijnen. De werkvorm zzp staat onder druk omdat de suggestie wordt gewekt dat dit vanwege schijnzelfstandigheid niet mogelijk zou zijn. Uitzendkrachten en gedetacheerden zijn per 1 januari 2026 veel duurder geworden om die werkvorm te ontmoedigen.
Cao’s proberen meer voorspelbaarheid in te bouwen binnen vaste dienstverbanden, maar die ontwikkeling verloopt veel trager dan de belemmering van flexibele werkvormen. Werkgevers krijgen dus steeds minder ruimte om bij ‘piek’ en ‘ziek’ onvoorspelbare flexibiliteit op te lossen en dit heeft zo zijn effect op vaste medewerkers.
“Yep. 21 dagen vooraf bekend. Vastgesteld rooster. Maar helaas vaak met nog veel diensten open op de locatie. Dus dan wordt het helaas vaak last minute schuiven of extra werken.” – reactie op social media. “Rooster is nooit definitief, altijd gaten en als je niet checkt gebeurt het toch nog dat er een collega minder is.”
Faciliteer eerst goed werkgeverschap
Vakbonden hebben de afgelopen jaren steeds sterker ingezet op meer roosterzekerheid, meer invloed op werktijden en minder afhankelijkheid van onzekere contractvormen. Alsof al deze zaken tegelijkertijd met elkaar te verenigen zijn. Zorgprofessionals laten zelf een bepaalde volgorde in hun prioriteiten zien. Onder vaste medewerkers, oproepkrachten, uitzendkrachten en zzp’ers komt steeds dezelfde primaire behoefte terug. Grip op de agenda.
De werkvorm is hierbij dienend, niet leidend. Het gaat zorgmedewerkers in de praktijk dus minder om ‘de zekerheid van een vast contract’ en meer om voorspelbaarheid van de agenda. Dat zou de enorme flexibiliseringsgolf in de zorg van de afgelopen jaren verklaren. Een vlucht naar regie over de agenda. Hoe ga je daar als polder en werkgevers mee om?
Het beperken van werkvormen vereist dat werkgevers en cao-partijen vervolgens de behoefte aan voorspelbaarheid via het vaste dienstverband kunnen vervullen. In de praktijk houden professionals met beperkende maatregelen steeds minder mogelijkheden over om hun agenda en daarmee hun leven te organiseren. De echte vraag ligt niet bij welke contractvorm zorgprofessionals zouden moeten kiezen, maar bij de vraag of organisaties voldoende grip op de agenda bieden. Zolang dat niet het geval is, ligt zonder alternatieven vroegtijdige uitstroom voor de hand.