De handhaving op schijnzelfstandigheid veranderde niet alleen de positie van de zzp’er, maar vooral de werking van de gehele flexmarkt in de zorg. Dit blijkt uit onderzoek onder de doelgroep van zzp’ers in de zorg en de rol die zorgbureaus hebben bij het vinden van werk. De uitkomsten laten zien hoe angst, onduidelijke regelgeving en de beweging naar uitzenden de arbeidsmarkt in anderhalf jaar tijd ingrijpend hebben veranderd.
De handhaving op schijnzelfstandigheid veranderde vooral de flexmarkt
De handhaving op schijnzelfstandigheid was bedoeld om meer duidelijkheid te creëren over de inzet van zelfstandigen. Uit eigen onderzoek onder 265 zorgprofessionals blijkt echter dat de gevolgen veel verder reiken dan dat. Niet alleen zzp’ers veranderden hun manier van werken. Ook zorgorganisaties, zorgbureaus en de flexmarkt als geheel pasten zich aan. De uitkomsten van ons onderzoek laten zien hoe angst voor handhaving, onduidelijke regelgeving en het schuiven naar uitzenden de arbeidsmarkt in anderhalf jaar tijd ingrijpend hebben veranderd.
Doel niet gehaald, maar wel veel neveneffecten
De beleidskoers rondom schijnzelfstandigheid moest vooral leiden tot meer werkenden in een vast contract. De handhaving op schijnzelfstandigheid maakte echter – zoals voorspeld – een valse start. Want wat schijnzelfstandigheid precies is, wanneer daar sprake van is en welke risico’s opdrachtgevers concreet lopen, blijkt moeilijk te bepalen. Doordat er in de praktijk nog steeds veel onduidelijkheid is over wanneer een werkende precies ‘binnen’ zo’n dienstverband valt, zijn er vooral neveneffecten ontstaan.
Het aantal vaste dienstverbanden liep niet scherp op; dat doel werd niet gehaald. De verschuivingen op de arbeidsmarkt gingen daarnaast verder dan het terugdringen van zzp-inzet. Zorgorganisaties scherpten hun inhuurbeleid aan en vaste medewerkers liepen de klappen op. Zorgbureaus gingen vaker alternatieve contractvormen aanbieden. Het aantal zichtbare zzp-opdrachten nam af, terwijl het veel duurdere uitzenden en detacheren juist terrein wonnen. Het werd echter geen één op één substitutie. Veel zelfstandigen kozen ook niet voor uitzenden en detacheren.
Tegelijkertijd zochten zzp’ers naar nieuwe manieren om flexibel te blijven werken. Zij schreven zich bij andere bureaus in, benaderden opdrachtgevers rechtstreeks of combineerden meerdere contractvormen. De meest opvallende uitkomst van ons onderzoek is dat veel zorgprofessionals hun KvK nummer niet inleverden. Zij pasten zich aan. Juist in een periode waarin de regels onzeker waren, bleven zij zoeken naar nieuwe routes om zelfstandig te kunnen blijven werken. Zoals één respondent het samenvat: “ik ben inmiddels toe aan het werken voor zorgorganisaties zónder bureau.”
Handhaving leidde tot veel verschuivingen aan de flexkant
Wie de resultaten van het onderzoek bekijkt, ziet niet zozeer één grote verandering. Tientallen kleinere veranderingen hebben de flexmarkt in de zorg ingrijpend veranderd.
Flexibel personeel werd vooral duurder
De eerste verschuiving vond plaats bij het aanbod van werk. Twee derde van de respondenten (66%) zag sinds de handhaving minder zzp-opdrachten verschijnen en 45% zag zelfs helemaal geen zzp-opdrachten meer bij zorgbureaus. Daar tegenover stond dat 47% juist méér aanbod voor uitzenden zag en 32% een groei van detachering zag. De vraag naar flexibel personeel verdween daarmee niet, maar verschoof voor de zorg naar andere – duurdere – contractvormen.
Loyaliteit naar ‘zzp’ bleek van korte duur
De toegang tot opdrachten veranderde ook. Bijna een kwart van de respondenten geeft aan dat inschrijven als zzp’er bij bureaus moeilijker werd, terwijl voor 23% inschrijven als zelfstandige helemaal niet meer mogelijk was. De behoefte aan flexkrachten bleef weliswaar bestaan, maar de toegangspoort veranderde. Waar zelfstandigen voorheen relatief eenvoudig konden reageren op opdrachten, werden zij steeds vaker geconfronteerd met nieuwe voorwaarden of de noodzaak tot een alternatieve contractvorm.
Informatie bleek gekleurd en eenzijdig
Ook de informatievoorziening veranderde en dat heeft het vertrouwen in zorgbureaus een knauw bezorgd. Respondenten kregen uiteenlopende verklaringen te horen over dezelfde handhaving. 67% hoorde dat opdrachtgevers geen zzp’ers meer wilden inzetten, 60% kreeg te horen dat opdrachtgevers geen zzp’ers meer móchten inzetten en bijna een derde hoorde dat de Belastingdienst zzp-inzet niet meer zou toestaan. Vier op de tien respondenten kregen het advies vanuit de zorgorganisatie (!) om via een uitzendbureau verder te gaan. Daarmee veranderde niet alleen de arbeidsmarkt, maar ook de manier waarop die werd uitgelegd aan professionals.
Verschuiving naar uitzenden is interssant voor intermediairs
Uit de open antwoorden ontstaat het beeld dat respondenten ervaren dat zorgbureaus sinds de handhaving vaker sturen op uitzenden of detacheren. Daarbij noemen zij niet alleen de veranderde regelgeving, maar ook de financiële prikkels die daarbij zouden kunnen spelen. Zo schrijft een respondent: “Volgens mij is de marge voor de zorgbureaus ook hoger op uitzenden.” Dat beeld komt ook terug buiten dit onderzoek. In een lezersenquête van De Telegraaf vandaag schrijft een voormalig zzp’er: “Na de Wet DBA naar een uitzendbureau gegaan, zelfde condities, maar het uitzendbureau verdient meer aan mij dan ik factureerde aan de klant. Mijn uurloon is lager.”
Veel zorgprofessionals houden vast aan zzp-schap
Ondanks alle veranderingen bleef 66% van de respondenten als zelfstandige werken. Dit past bij het beeld dat gemiddeld genomen één op de vier zorgprofessionals het KvK nummer combineert met een (klein) dienstverband. Ruim een kwart van de respondenten zoekt inmiddels rechtstreeks contact met zorgorganisaties. “Probeer zelf een netwerk op te bouwen zodat je niet afhankelijk bent voor een opdracht.”, aldus een respondent. Een kwart schreef zich in bij andere zorgbureaus en anderen combineerden nieuwe contractvormen om flexibel te kunnen blijven werken.
De handhaving was bedoeld om ondernemerschap scherper te beoordelen omdat er veel zzp’ers ‘schijn’ ‘zelfstandig’ zouden zijn. Het effect van de handhaving werd juist dat veel zelfstandigen zich zeer ondernemend opstelden. Zij zochten nieuwe opdrachtgevers in andere sectoren, nieuwe routes en nieuwe manieren om hun werk voort te zetten.
Zorgbureaus kregen een andere rol
De handhaving op schijnzelfstandigheid zorgde voor een fundamenteel andere rol voor zorgbureaus. Door de toenemende onzekerheid over de spelregels vroegen steeds meer zorgorganisaties zich af wanneer zij nog wél veilig een zelfstandige konden inhuren. Tegelijkertijd ontstond binnen de zorg het beeld dat zzp-inzet per definitie risicovol was. Voor veel organisaties werd het daarom aantrekkelijker zich te laten adviseren door een intermediair, die vervolgens ook uitzendkrachten mocht leveren als het oordeel op ‘geen zzp’ uitkwam.
Respondenten geven aan dat zorgbureaus niet alleen meer bemiddelen, maar steeds vaker uitleg geven over regelgeving en alternatieve contractvormen. De informatie richting de professional wordt niet altijd voor waar aangenomen; “Geloof niet wat ze zeggen, bureau verdient meer op mij met uitzenden dan als zzp.” De intermediair lijkt te zijn verschoven van bemiddelaar naar adviseur over contractvormen. Dat is opvallend, omdat nu juist de flexibilisering van de arbeidsmarkt de polder en politiek een doorn in het oog is. Zo werd uitzenden per 1 januari dit jaar juist duurder gemaakt om de drempel naar een vast contract verder te verlagen. Door de ingewikkelde aanpak op schijnzelfstandigheid, kwam er desalniettemin een grotere verantwoordelijkheid te liggen bij zorgbureaus.
Zorgprofessionals lijken de zzp-winter uit te zitten
Wie de open antwoorden van het onderzoek leest, ziet onder professionals weinig berusting in het lot van de zzp’er in de zorg. De toon is eerder strijdlustig dan verslagen.
Veel respondenten geven aan dat zij bewust vasthouden aan het ondernemerschap en verwachten dat de huidige situatie tijdelijk is. Reacties als “Ik ben inmiddels toe aan het werken voor zorgorganisaties zónder bureau”, “Geen bemiddeling meer, maar rechtstreeks contact met de organisatie” en “Gewoon als zzp’er kunnen blijven werken” laten zien dat veel zorgprofessionals hun ondernemerschap niet opgeven, maar juist zoeken naar nieuwe manieren om het voort te zetten. Die houding sluit aan bij de cijfers uit het onderzoek. Bijna twee derde van de respondenten werkt nog altijd als zzp’er en ruim een kwart is inmiddels rechtstreeks opdrachtgevers gaan benaderen.
“Laat me werken voor jullie zonder een bemiddelaar. Ik werk kwalitatief goed, veel dankbaarheid van collega’s en patiënten. Wat wil je nog meer? Het gaat toch om de zorg die geleverd wordt.” – respondent
Voor veel zelfstandigen lijkt de huidige periode daarom geen eindpunt, maar een tussenfase. De vraag naar zorgprofessionals is immers niet verdwenen. Dat zzp in de zorg mogelijk is wordt ondersteund door de ontwikkelingen van de afgelopen maanden. Zo kwam de Belastingdienst in meerdere individuele zaken terug op eerdere standpunten tegen zzp in de zorg. Diverse rechtszaken laten zien dat de zzp’er in de zorg juist werkt met veel professionele autonomie en niet onder het juk van haar opdrachtgevers. Veel zorgprofessionals kiezen voor overbruggen in deze fase. Zij lijken ervan overtuigd dat de huidige ‘zzp-winter’ uiteindelijk voorbijgaat en dat zelfstandig ondernemerschap in de zorg een blijvende plaats zal houden.
De arbeidsmarkt in de zorg laat zich niet door bovenaf bepalen, maar past zich aan
Ruim drie jaar geleden schreef ik een artikel met als titel de ‘Krapte op de arbeidsmarkt ontnam werkgevers de regie en gaf deze aan werkenden‘. Zo’n zelfde artikel zouden we kunnen schrijven over de polder. Nee, het vaste dienstverband is niet de norm voor zorgprofessionals. De uitkomst van de arbeidsmarkt ligt niet bij de polder, maar wordt bepaald door het gedrag van werkenden. Al decennia niet meer, kijkend naar de flexibilisering op de arbeidsmarkt.
De handhaving op schijnzelfstandigheid had als doel om meer grip op de arbeidsmarkt te creëren. Uit ons onderzoek ontstaat juist het beeld van een arbeidsmarkt die ingewikkelder is geworden. Duurdere contractvormen, minder flexibele ondersteuning naast vaste medewerkers, andere vormen van arbeidsbemiddeling, uiteenlopende uitleg van dezelfde regels en zorgprofessionals die voortdurend nieuwe routes zoeken om hun werk te kunnen blijven doen.
Een onbewezen probleem van ‘schijnzelfstandigheid’ creëren, leidde niet tot meer vaste dienstverbanden. Iedere keer als een route wordt afgesloten, ontstaat een nieuwe. In de zoektocht naar flexibiliteit redeneren zorgprofessionals razendsnel door te kiezen voor een alternatief, maar geen vast dienstverband. Want daar komen ze vandaan. De arbeidsmarkt in de zorg laat zich niet door bovenaf bepalen, maar past zich aan. Wanneer gaan we alle zorgprofessionals faciliteren op een wijze die hen past, in plaats van dwang op te leggen naar een werkvorm die steeds minder populair wordt?

