Zorgprofessionals verwachten dat een groeiende zorgvraag en oplopende tekorten leiden tot meer gediplomeerde collega’s én het behoud van bestaande beroepskrachten. Dat blijkt niet het geval. Een terugblik op het arbeidsmarktbeleid laat zien dat het uitgangspunt van voldoende beroepskrachten sinds 2022 is losgelaten.
Eén medewerker, 26 bewoners, 12 openstaande diensten
In een zorgcentrum in Zevenaar stond laatst één jonge beroepskracht voor 26 zware verpleeghuis bewoners. Ze had overdag al een dienst gewerkt, maar voor de avond en nacht bleek niemand beschikbaar. Voor de week erna stonden volgens familie nog eens twaalf diensten open. Vakbond NU’91 geeft aan dat dit geen incident meer is. Zorgprofessionals worden in de praktijk steeds vaker aan hun lot overgelaten. Dit heeft een versterkend effect op de bestaande tekorten, omdat steeds meer vaste zorgmedewerkers het voor gezien houden.
Want collega’s vertrekken als gevolg van de werkdruk, vacatures blijven openstaan en roosters worden met steeds meer moeite gevuld. Ondertussen neemt de zorgvraag onder druk van de vergrijzing verder toe. Je zou daarom misschien verwachten dat alles op alles wordt gezet om voldoende nieuwe verpleegkundigen, verzorgenden, begeleiders en andere gediplomeerde zorgprofessionals op te leiden. Te voorkomen dat de ervaren beroepskrachten die er nog zijn, vertrekken. Want als de zorgvraag groeit, heb je uiteindelijk meer professionals nodig om die zorg te leveren. Toch?
We gingen op onderzoek uit. Is het eigenlijk nog wel de bedoeling dat die openstaande diensten door gediplomeerde zorgprofessionals worden ingevuld?
De trendbreuk van ’22: voldoende beroepskrachten niet langer het uitgangspunt
Zo’n vijf jaar geleden vond er vrij geruisloos een belangrijke trendbreuk plaats binnen de arbeidsmarkt in de zorg. Het arbeidsmarktprogramma ‘Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn‘ (TAZ) liet de noodzaak tot de inzet van beroepskrachten los. Het matchen van gediplomeerde zorgprofessionals met de toenemende zorgvraag was niet langer prioriteit, terwijl de uitstroom van deze groep toen al hoog was. Daar bovenop stelde het programma dat er een maximaal aantal mensen in de zorg zou mogen werken, ondanks de oplopende vergrijzing.
“Het programma TAZ geeft een belangrijke aanzet voor een transitie naar passende en arbeidsbesparende zorg … zodat ook op termijn niet meer dan 1 op 6 werkenden in zorg en welzijn werkzaam is.” – TAZ arbeidsmarktprogramma
Een maximaal aantal zorgmedewerkers in de sector zorg en welzijn, maar dat hoefden niet langer beroepskrachten meer te zijn. Het beperken van het aantal zorgmedewerkers zou bereikt moeten worden met ‘arbeidsbesparende maatregelen‘ én het loslaten van de beroepsnorm als ondergrens. Zodat de poort voor niet gediplomeerde collega’s werd geopend. De oplossing moest komen vanuit technologie en digitalisering, ‘bekwaam = bevoegd‘ skillsgericht werken en met hulp van informele zorg.
Maar skillsgericht werken is niet hetzelfde als het werk van iemand met een beroepsopleiding, zo stelt ook Marjet Veldhuis van InEnAanDeZorg. “Skill-based leren kan werken voor afgebakende handelingen. Maar een handeling is iets anders dan een professioneel oordeel.” De nieuwe aanpak van het ministerie van VWS was een forse trendbreuk met de jaren ervoor, waarin er juist werd ingezet op het aantrekken van voldoende beroepskrachten.
In haar tweede boek over Heilige Zorghuisjes geeft onderzoeker Marjet Veldhuis meer voorbeelden waaruit blijkt dat een probleem in de zorg op een nieuwe manier wordt geframed, zodat er ook een andere ‘oplossing’ kan worden gevonden. Een tekort aan beroepskrachten oplossen door formele zorg te organiseren zonder beroepskrachten, past daarbij.
Tot ’22: instroom en behoud van beroepskrachten het uitgangspunt
De beroepskracht als centrale spin in het web was de jaren ervoor altijd het uitgangspunt. Het ‘Zorgpact‘ uit 2015 moest onderwijs binnen de zorg en de arbeidsmarkt beter op elkaar laten aansluiten. Als zorgprofessionals over de juiste kennis en competenties beschikten, dan zouden ze beter toegerust zijn op het werk. Toch werd in de jaren erna de urgentie door het oplopen van personeelstekorten steeds groter.
De zogeheten ‘Arbeidsmarktagenda 2023‘ uit 2017 kwam met vier speerpunten. Twee daarvan waren kristalhelder. “Zorgpersoneel behouden” en “instroom zorgpersoneel vergroten” werd gezien als oplossing voor de tekorten. De instroom van beroepskrachten, welteverstaan. Ook werd het SectorplanPlus in 2017 gelanceerd, waar honderden miljoenen beschikbaar werden gemaakt voor opleidingstrajecten, nieuwe instroom, doorstroom én trainingen gericht op het behoud van personeel.
Het landelijke actieprogramma ‘Werken in de Zorg‘ stamt uit 2018. Het tekort van 100.000 tot 125.000 medewerkers moest worden teruggebracht tot “nul of daar dichtbij”. Toenmalig minister De Jonge zei destijds nog dat “we veel meer nieuwe mensen nodig hebben”. Via de Regionale Actieplannen Aanpak Tekorten (RAAT) werd die opdracht vervolgens aan alle 28 arbeidsmarktregio’s overgedragen. “Goede zorg bieden aan alle Nederlanders die dat nodig hebben, vraagt om voldoende, tevreden en goed toegeruste medewerkers”, zo stelde het ministerie van VWS destijds.
Advies in ’21: gebrek aan behoud is hét probleem
Waarom koos het ministerie van VWS in 2021 voor een radicale koerswijziging? Ondanks alle programma’s hierboven lukte het zorgorganisaties niet om beroepskrachten te behouden. Honderden miljoenen waren uitgegeven en in 2021 kwamen de conclusies daarvan op tafel. Na jaren van arbeidsmarktbeleid was duidelijk waar het probleem zat.
De instroom was sterk gegroeid, maar behoud van beroepskrachten bleek het probleem. Niet alleen mensen vinden, maar vooral voorkomen dat (ervaren) beroepskrachten weer vertrekken was hét probleem. De onafhankelijke Commissie Werken in de Zorg was er messcherp over.
“Meer nog dan instroom (die is er reeds in ruime mate) is behoud de knop waaraan gedraaid moet worden.” – Commissie Werken in de Zorg.
Die commissie volgde de arbeidsmarktaanpak ruim drie jaar en adviseerde regio’s en het ministerie over wat er beter moest. In 2018, 2019 en 2020 adviseerde de commissie telkens opnieuw over het effect van de arbeidsmarktprogramma’s en die conclusies kwamen in grote lijnen steeds op hetzelfde neer. De conclusie in het eindrapport van 2021 was helder: “Veel inspanningen zijn geleverd en toch is het niet genoeg.” Want het behoud van beroepskrachten bleek hardnekkig te falen. De commissie vroeg vervolgens het ministerie zelf om opheffing van de commissie. Dezelfde boodschap keer op keer blijven herhalen was niet zinvol.
Individuele werkgevers hadden een cruciale rol bij behoud. Modern werkgeverschap moest medewerkers binden, betrekken en perspectief bieden. Ook daar kwam advies over. Werkgevers hadden daar echter wel randvoorwaarden voor nodig en die worden tot op de dag van vandaag zeer beperkt geboden.
Het groeiende tekort aan beroepskrachten blijkt beleid
Het behoud van beroepskrachten lukte jaar op jaar op jaar niet. Dit leidde tot een besluit. De oplossing werd vanaf 2021 niet langer het behoud van beroepskrachten, maar het toelaten van steeds meer zorgmedewerkers zonder beroepsdiploma. Plus het maximaliseren van het aantal werkenden in de zorg. Zo kwamen het ministerie van VWS, de regio’s én individuele werkgevers af van het vraagstuk van behoud.
Het ministerie van VWS schrijft sindsdien dat “het afremmen van de arbeidsvraag in de zorg” een doel is. Met dezelfde hoeveelheid zorgmedewerkers steeds meer zorg moeten opvangen is beleid. Dat hoeven geen beroepskrachten meer te zijn. Onder het mom van ‘passende zorg’ en ‘arbeidsbesparende maatregelen’ zou de oplopende zorgvraag alsnog kunnen landen in de praktijk. Daarmee is de redenatie ‘meer zorg = meer beroepskrachten‘ en ‘formele zorg wordt uitgevoerd door beroepskrachten‘ sinds 2021 voorbij.
Pakken we vervolgens een Kamerbrief over de arbeidsmarkt in de zorg van afgelopen week erbij, dan valt deze goed te plaatsen.
- De prioriteit ligt niet bij het vergroten van het aantal beroepskrachten in de zorg;
- Meer bewoners of complexere zorg betekent niet automatisch ook een toename van het aantal zorgmedewerkers;
- Het werk dat beroepskrachten doen, kan ook door iemand zonder diploma maar met een certificaat gedaan worden;
- Deskundigheid van een beroepskracht is bedoeld voor de meest complexe zorg over een grotere groep cliënten;
- Een deel van het werk moet (nog steeds) opgevangen worden door slimme technologische oplossingen;
- Het vasthouden van gediplomeerde collega’s ligt bij de werkgever, ook als deze de middelen daar niet voor heeft;
- Informele zorg moet steeds vaker formele zorgprofessionals gaan vervangen.
Die medewerker die alleen voor 26 bewoners staat, denkt misschien dat het probleem is dat er te weinig gediplomeerde collega’s zijn. Maar het groeiende tekort aan beroepskrachten in de zorg blijkt beleid. Een landelijk bepaald maximum aan zorgmedewerkers ook. Dat gat in het rooster hoeft niet meer te worden opgelost met een nieuwe beroepskracht. Of überhaupt opgevuld te worden. Want uiteindelijk is ‘passende zorg’ precies dat: we doen wat we kunnen en noemen de rest ‘niet passend’. Wat overblijft is aan de samenleving zelf.