De overheid voert de druk op zelfstandigen in de publieke sector steeds verder op. Wat begon als een wens tot duidelijkheid over de arbeidsrelatie, is uitgegroeid tot een politiek frame waarin ‘schijnzelfstandigheid in de publieke sector‘ wordt gebruikt om het werken als zzp’er te ontmoedigen. Onder dat frame ligt geen feitelijk bewijs, maar wel een groot risico: uitstroom van ervaren krachten.
ZZP in de publieke sector aan banden?
Onder het mom van “herstel van de balans op de arbeidsmarkt”, werkt de overheid sinds 2022 aan beleid dat de inzet van zzp’ers in de publieke sector moet terugdringen. De zorg, het onderwijs en de kinderopvang worden steeds neergezet als sectoren waar veel schijnzelfstandigheid zou zitten en continuïteit van dienstverlening in gevaar zou komen. In werkelijkheid is er geen bewijs dat zzp’ers de oorzaak zijn van die problemen. Ook is er geen bewijs dat schijnzelfstandigheid vaker voorkomt in de publieke sector. Ondertussen maken beleidsmaatregelen zoals de handhaving op schijnzelfstandigheid en de VBAR steeds meer onderdeel uit van een breed anti-zzp beleid, waar vooral publieke instellingen en zzp’ers veel last van hebben. Voor de praktijk betekent het dat ervaren professionals uitstromen, omdat zij niet in loondienst terugkeren. Daar kwamen zij namelijk vandaan.
Een overzicht van de standpunten van politieke partijen door Flexonderwijs laat zien dat er – ondanks het mogelijke verlies van tienduizenden professionals in het publieke domein – draagvlak is om zzp’ers uit te sluiten. GroenLinks-PvdA en D66 lopen hierin voorop.
Frame ‘zzp in publieke sector’ = ‘schijnzelfstandig’ dateert uit 2015
De beoordeling van de arbeidsrelatie verloopt in de publieke sector op dezelfde manier als daar buiten. Het recht op zelfstandig ondernemerschap is hetzelfde binnen de publieke sector als daar buiten. Waar komt het beeld dat de publieke sector veel schijnzelfstandigheid zou kennen, dan toch vandaan? In het Rapport Interdepartementaal Beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel (IBO-ZZP) uit 2015, werd dit frame voor het eerst geopperd. “De risico’s op schijnzelfstandigheid doen zich het sterkst voor in sectoren waarin publieke taken worden uitgevoerd, zoals zorg en onderwijs.” – IBO-ZZP 2015. In 2017 herhaalde de Belastingdienst dit in haar toelichting bij modelovereenkomsten. “Het merendeel van de verzoeken tot beoordeling komt uit de zorg- en onderwijssector. Daar wordt veel gewerkt met opdrachtnemers die feitelijk in dienst zijn.” Beide uitspraken zijn nooit feitelijk onderbouwd, alhoewel het frame wel om zich heen greep.
Zorg, onderwijs en schijnzelfstandigheid
In 2019 ging het beeld dat zelfstandigen in de publieke sector eigenlijk schijnzelfstandigen zouden zijn, vervolgens echt van start. Tijdens een plenair debat over de arbeidsmarkt zei Kamerlid van Dijk dat de PvdA “een toenemend aantal zelfstandigen in de zorg en in het onderwijs ziet. In een paar jaar tijd is dat aantal verdubbeld.” Hij vervolgde met de vraag: “Ben je nou echt ondernemer als je vijf dagen per week in één ziekenhuis werkt, op dezelfde afdeling als je collega’s in loondienst?”. Vanaf dat moment werd “zzp in de publieke sector” structureel gekoppeld aan het risico op schijnzelfstandigheid. In Kamerstukken, mediaberichtgeving en beleidsnota’s werd dit beeld voortdurend herhaald. Ook de website www.hetjuistecontract.nl praat eenvoudig en onvolledig over schijnzelfstandigheid in de zorg.
Kinderopvang wordt als sector toegevoegd
In de jaren na 2019 werd het gebruikelijk om de zzp’er aan te wijzen als bron van problemen met kwaliteit en continuïteit in de publieke sector. Omdat de kinderopvang grotendeels publiek gefinancierd wordt via toeslagen, bleek zij onder dezelfde logica te vallen als onderwijs en zorg. “In de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg is de schijnzelfstandigheid problematiek dusdanig urgent dat de continuïteit en de kwaliteit van de aangeboden diensten onder druk komt te staan.” – Eerste Kamer. Ook hier; geen enkel bewijs. Wat begon als een behoefte aan duidelijkheid over de arbeidsrelatie, werd vermaakt tot een frame waarmee de inzet van zzp’ers in zorg, onderwijs en kinderopvang als maatschappelijk probleem werd gecommuniceerd. De publieke sector werd door de polder neergezet als een afwijking op de norm van werknemerschap.
Anno 2025: cijfermatige onderbouwing ontbreekt
Hoewel de overheid inmiddels meerdere documenten gepubliceerd heeft over “schijnzelfstandigheid in de publieke sector”, ontbreekt tot op de dag van vandaag een feitelijke, cijfermatige onderbouwing van schijnzelfstandigheid in de publieke sector. De beschikbare tabellen tonen slechts het aantal zelfstandigen dat actief is in zorg, onderwijs en kinderopvang, maar niet het aandeel dat feitelijk als werknemer functioneert. Dat kan ook niet, want een holistische toets per opdracht is noodzakelijk om daar iets definitiefs over te kunnen zeggen. Er is geen onderzoek dat juridisch toetst of deze zzp’ers vanzelfsprekend onder gezag werken en schijnzelfstandig in hun opdracht zitten. Ook is er geen rechterlijke uitspraak die onderbouwt dat schijnzelfstandigheid in de publieke sector bewezen is. Het label schijnzelfstandige is daarmee beleid, maar onbewezen. De overheid bouwt ondertussen verder aan haar beleid op deze veronderstellingen. Dit lezen we terug in het 3e concept van de VBAR en zelfs de Zelfstandigenwet.
Wat professionals in zorg, onderwijs en kinderopvang bindt
De grote groei van zelfstandigen in zorg, onderwijs en kinderopvang is geen toeval, maar een logisch gevolg van het huidige beleid. In de publieke sector staan bevlogenheid voor het vak en een dwingend systeem al decennia op spanning met elkaar. Professionals ervaren dat het vaste dienstverband waarmee zij ooit begonnen, steeds minder ruimte laat voor vakmanschap, invloed en balans. Roosters zijn al jaren problematisch, administratieve druk hoger en de menselijke maat kleiner. Flexibilisering in de publieke sector is het gevolg van een verlangen naar het vak, zonder dat je verstrikt raakt in protocollen, cao’s of roosterdruk. Dat verklaart waarom uitgerekend in deze publieke sectoren de beweging naar zelfstandig werken zo groot is. De overeenkomsten tussen flexibilisering in de zorg en het onderwijs liggen al jaren op tafel.
Anno 2025: professionals kiezen bewust voor geen dienstverband
Dat de polder en beleidsmakers de flexibilisering van de arbeidsmarkt proberen te temperen, wil niet zeggen dat professionals daarin meebewegen. De website ZZP in de publieke sector laat zien dat zelfstandigen in zorg, onderwijs en kinderopvang eenzelfde ontstaansgeschiedenis delen. Het zijn professionals die jarenlang in loondienst werkten, maar het systeem niet langer verdragen. Deze mensen kozen niet voor gemak, maar voor autonomie. De overstap naar het zzp-schap is geen vlucht uit verantwoordelijkheid en solidariteit, maar een poging om hun vak op een gezonde, professionele manier uit te kunnen oefenen. Terwijl beleidsmakers en zelfs de politiek spreekt over via dwang naar “herstel van het vaste contract als norm”, laten honderdduizenden professionals zien dat juist dat contract niet meer past bij duurzaam werk. Als je een beroep wil blijven doen op de publieke sector, is ingrijpen in zzp onverstandig. Breng eerst het vaste dienstverband op orde, om een groot verlies van arbeidskrachten te voorkomen.
