Politiek, vakbonden, Belastingdienst, hoogleraren en experts communiceren al jaren binnen het frame dat de zorgsector een ‘risicosector’ is voor schijnzelfstandigheid. De Zelfstandigenwet heeft zelfs de optie van sectorale uitsluiting opgenomen, om zzp in de publieke sector onmogelijk te kunnen maken. De rechtspraak kijkt echter per individueel geval en niet per sector of groep zzp’ers. Na de recente uitspraak van de rechter is duidelijk dat zzp in de zorg prima mogelijk is. Het frame ‘zorgsector = risicovol‘ voor schijnzelfstandigheid is nergens op gebaseerd. Maar waar komt het dan vandaan?
Rechter: zzp’er met professionele autonomie niet schijnzelfstandig
Een recente rechtspraak over een zzp’er in de zorg laat zien dat de professionele autonomie doorslaggevend is. In het geval van een zzp logopedist die één opdrachtgever had met een uurtarief van € 36 per uur, bleek dat er ook binnen de muren van een instelling nog steeds geen sprake was van schijnzelfstandigheid. De zelfstandigheid tijdens het uitvoeren van het werk bleek leidend; geen gezag. Zelfs wanneer werkzaamheden zijn ingebed in de organisatie, leidt dit dus ook in de zorg niet automatisch tot een arbeidsovereenkomst.
Als de zorgprofessional zelf bepaalt hoe de zorg wordt verleend en op wanneer, dan is er geen sprake van gezag. Daarmee wordt een belangrijk verwijt richting zzp’ers in de zorg onderuit gehaald. Niet de omgeving, maar de autonomie binnen het vak bepaalt in hoge mate of sprake is van schijnzelfstandigheid. Aangezien er talloze beroepen zijn waarin zorgmedewerkers professionele autonomie ervaren, is het verwijt dat de zorgsector een ‘risicovolle sector voor schijnzelfstandigheid’ zou zijn, niet waar.
Frame ‘zorgsector = risicovol’ krijgt brede steun
In het Rapport IBO-ZZP uit 2015, werd het frame over de zorg als risicovolle sector voor het eerst geopperd. “De risico’s op schijnzelfstandigheid doen zich het sterkst voor in sectoren waarin publieke taken worden uitgevoerd, zoals zorg en onderwijs.” – IBO-ZZP 2015. Vervolgens werd het frame overgenomen door vakbonden, experts, hoogleraren en ministeries.
- Minister Van Gennip (SZW) stelde in 2023 dat “in de sectoren kinderopvang, onderwijs en de zorg […] de problematiek dusdanig urgent is dat de continuïteit en kwaliteit onder druk staan.”;
- Minister Agema (VWS) in 2024: “in zorg en welzijn [worden] regelmatig zzp’ers ingezet terwijl er op basis van wet- en regelgeving sprake is van een dienstbetrekking.”
- Advocaat Boris Emmerich is van mening dat de zzp handreiking voor de zorg, ‘naar de schredder’ kan, ook al blijkt deze volledig in lijn te liggen met de rechterlijke uitspraak;
- Hoogleraar Evert Verhulp stelt dat het ‘al jaren klip-en-klaar is… dat zorg verlenen in een ziekenhuis in dienst hoort. Er is wettelijk weinig zelfstandigs aan’;
- De Belastingdienst spreekt sinds 2017 verdacht makend over de zorg. Daar “wordt veel gewerkt met opdrachtnemers die feitelijk in dienst zijn”;
- FNV-bestuurders, waaronder Elise Merlijn, stellen dat “veel zzp’ers in de zorg feitelijk werknemers zijn” en roept op tot handhaving.
Het hele kader over veilige zzp inhuur kan weg. Zzp’ers in de zorg worden verdacht gemaakt omdat ze schijnzelfstandig zouden zijn. Terwijl het ministerie van Sociale Zaken zelf heeft bevestigd dat zij niet weet wat schijnzelfstandigheid precies is, hoe groot het probleem is en waar het precies zit. Toch wordt het frame ‘de zorgsector = risicovol’ technocratisch en zonder feiten in stand gehouden. Beleidsmakers bepalen hoe zorgprofessionals zouden moeten functioneren. Daar bleef het niet bij.
Zelfstandigenwet voor zzp’ers, behalve de publieke sector?
De Zelfstandigenwet wordt gepresenteerd als een oplossing voor de aanhoudende onzekerheid rond zzp’ers, maar bevat een opvallende escape-route voor ‘risicovolle sectoren’. Als er in een sector sprake is van “een groot risico op schijnzelfstandigheid”, kan een rechtsvermoeden van werknemerschap worden ingevoerd via dit wetsvoorstel. In de toelichting staat dat “middels sectorale criteria en voorwaarden […] in sectoren met een groot risico op schijnzelfstandigheid” het speelveld wordt aangepast” en “de mogelijkheid [bestaat] om extra sectorale criteria of een rechtsvermoeden te introduceren”. Oftewel, in risicovolle sectoren blijft het zoeken naar duidelijkheid over de arbeidsrelatie. De voorwaarden en criteria zijn niet uitgewerkt.
Wie bepaalt straks of een sector ‘risicovol’ is? “De Sociaal-Economische Raad kan een rol in spelen in het voordragen van sectoren, het vormgeven van de aanvullende sectorale criteria en bij het verwerven van draagvlak bij alle relevante partijen.” Daarmee ontstaat een situatie waarin dezelfde partijen die het frame rond schijnzelfstandigheid op dit moment vormgeven, invloed uitoefenen op wetgeving die een sector wettelijk als ‘risicovol’ verklaart.
De consequenties zijn vervolgens groot. In ‘risicovolle’ sectoren verschuift de bewijslast weer terug naar opdrachtgever, die op dit moment juist in angst en onzekerheid zitten en behoefte hebben aan rechtszekerheid. Die zekerheid vooraf voor ‘risicovolle’ sectoren wordt beperkt. In het geval van de publieke sector kampen zij juist volop met personeelstekorten en uitval. Het beeld is dat via dwang professionals richting een dienstverband worden gestuurd.
De Zelfstandigenwet leek een wet voor zzp’ers in het algemeen, maar heeft ook in dit voorbeeld het frame zonder feiten opgenomen. Het frame ‘zorgsector = risicovol‘ wordt daarmee via wetgeving bewaarheid. Net zoals bij het concept wet VBAR, die ‘inbedding = dienstverband’ als zwaartepunt nam zonder juridische onderbouwing. Ook dat bleek niet waar.
Bewijs ontbreekt, frame domineert
Terwijl de politiek, vakbonden en de Belastingdienst communiceren in brede aannames over hele sectoren, toetst de rechter op concrete feiten per individuele werkrelatie.
Voor het verwijt dat de zorgsector als geheel een verhoogd risico vormt op schijnzelfstandigheid, ontbreekt een harde onderbouwing. Er is geen eenduidige definitie, geen afgebakend toetsingskader en geen sectorale onderbouwing. Tegelijkertijd laat de rechtspraak keer op keer zien dat die beoordeling niet op sectorniveau plaatsvindt, maar op basis van feitelijke autonomie, gezag en inrichting van het werk. Per opdracht. Daarmee ontstaat een tegenstelling. Nieuwe wetsvoorstellen die zonder feiten generaliseren, tegenover rechtspraak die al decennia lang achteraf beoordeeld per geval. Die jurisprudentie is niet nieuw en ook die expertise is binnen de overheid aanwezig.
Als die sectorale aanname juridisch niet standhoudt en dat ook helemaal niet past bij de rechtspraak, waar komt die dan vandaan?
Waar komt die sectorale aanname vandaan?
De sectorale uitsluiting is juridisch niet houdbaar en dat is bekend, maar dient blijkbaar wel een doel. Anders zou het niet bedacht zijn. Wat blijkt?
- Het beleidsdoel weegt zwaarder dan juridische zuiverheid. Dit is ook in zoveel woorden bevestigd door de landelijk coördinator van de Belastingdienst. ‘Als de burger maar luistert’. Het beperken van zzp inzet in de zorg is als sinds 2023 een doel van de overheid. Het doel van meerdere ministeries heiligt in dit geval het frame;
- Ten tweede speelt uitvoerbaarheid door de Belastingdienst ongetwijfeld een rol. Individuele beoordeling per werkrelatie is complex en vraagt heel veel capaciteit. Alhoewel je je af kunt vragen of een webmodule met AI niet prima zou kunnen werken, wordt daar niet voor gekozen. Het werken met generieke sectorale aannames blijkt aantrekkelijker dan de rechtspraak volgen;
- Ten derde is er de zorg over de positie van het vaste dienstverband binnen het zorgstelsel. Het loondienstmodel, cao-structuren en de organisatie van zorg gaan uit van vaste krachten en teveel flexibiliteit via zzp is eenvoudiger te belemmeren als het als verstoring wordt gelabeld. Daarom zijn de vakbonden zo druk met wijzen op nare zzp’ers, dan het afdwingen van betere werkomstandigheden voor vaste medewerkers. Werkgevers en vakbonden negeren al jaren dat de stap naar zzp een signaal is over de kwaliteit van het vaste dienstverband.
Bij het frame de ‘zorgsector = risicovol’ blijkt de wens de vader van de gedachte. Goed voor te stellen, maar onwettig en niet helpend. Want als deze aanpak ertoe leidt dat inzet van zelfstandigen afneemt, terwijl personeelstekorten groter worden, dan raakt dat de continuïteit en kwaliteit van zorg. Na de bevestiging van de rechter wordt de vraag niet óf de overheid haar beleid kan onderbouwen, want dat is niet het geval en is geen prioriteit. De vraag is of de gevolgen nog te verantwoorden zijn richting cliënten, zzp’ers én vaste medewerkers die dagelijks met die gevolgen te maken hebben.