De Belastingdienst gaat selectief om met wetgeving en jurisprudentie rondom de beoordeling arbeidsrelatie en schijnzelfstandigheid. Zo stellen juridische specialisten die binnen de zorgsector werkzaam zijn. Daarmee wordt de beoordeling van de arbeidsrelatie voor opdrachtgevers nog ingewikkelder dan hij al is.
‘Belastingdienst voedt rechtsonzekerheid rond schijnzelfstandigheid’
Inmiddels stromen de beoordelingen vanuit de Belastingdienst bij opdrachtgevers binnen. Dit geeft betrokken juristen een overkoepelend beeld over hoe de Belastingdienst tot haar standpunten komt. Het beeld vanuit deze experts is eensgezind: de Belastingdienst past de regels rondom schijnzelfstandigheid niet volledig en niet consequent toe. Dit heeft grote gevolgen voor de zorgsector.
Diverse juridische experts geven aan dat de Belastingdienst op selectieve wijze om gaat met wet- en regelgeving. Door deze handelswijze ‘voedt de Belastingdienst de rechtsonzekerheid rond schijnzelfstandigheid‘, aldus arbeidsrecht advocaat Joost van Ladesteijn. Dit standpunt sluit aan op de 23 kritische vragen vanuit de landelijke zorgkoepels, die zich afvragen waarom het ministerie van Sociale Zaken en de Belastingdienst de bestaande wetgeving en rechterlijke uitspraken niet toepassen. De Belastingdienst blijkt zich in de praktijk niet te verhouden tot uitspraken van de hoogste rechter – de Hoge Raad – maar maakt een eigen selectie.
Welke wetgeving en jurisprudentie wordt genegeerd?
De kwaliteitswet Wkkgz
De Wkkgz bepaalt dat een solistisch werkende zorgverlener een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft die de opdrachtgever niet mag overnemen. Die eigen verantwoordelijkheid is wettelijk vastgelegd (art. 4 lid 4 Wkkgz) en verkleint het gezichtspunt ‘gezag’. De zorgorganisatie mag wél kwaliteit borgen, maar zich niet bemoeien met de uitvoering door de professional. In de praktijk negeert de Belastingdienst deze wetgeving voor zorgprofessionals.
De zaak Deliveroo
De uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Deliveroo verplicht de Belastingdienst tot een ‘holistische toets’. Alle feiten en omstandigheden per opdracht (!) tellen mee, zonder vaste volgorde van de ‘gezichtspunten’. In de praktijk verwijst de Belastingdienst weliswaar naar de negen criteria van Deliveroo, maar kiest daaruit het argument “inbedding” om naar een dienstverband te kunnen redeneren. Geen holistische toets dus en daarmee niet volgens wet- en regelgeving.
De zaak Uber
De uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Uber verplicht de Belastingdienst om ook het ondernemerschap van de zzp’er net zoveel mee te laten wegen in de beoordeling. Je kunt dus niet stellen dat ingebed werk tot een dienstverband leidt, zo stelde de Hoge Raad. In veel beoordelingen door de fiscus komt terug dat ondernemerschap pas wordt bekeken nadat het oordeel dienstbetrekking al gevallen is. Dat is precies het omgekeerde van wat de Hoge Raad voorschrijft.
De zaak Helpling
De zaak Helpling liet zien dat de individuele beoordeling van een geval, niet tot een standaard antwoord mag leiden voor andere gevallen. In de praktijk is dat precies wat de Belastingdienst wel doet. Na één of enkele beoordelingen, worden ook de andere zzp opdrachten op één hoop gegooid en op die manier beoordeeld. Zorginstellingen melden dat de Belastingdienst oordeelt over een paar zzp’ers en dat oordeel vervolgens veralgemeniseert naar álle ingehuurde zelfstandigen. Dat is in strijd met het uitgangspunt van de Hoge Raad.
Belastingdienst maakt eigen selectie
Volgens meerdere juristen volgt de Belastingdienst een vast patroon. Zij kiest bij uitspraken van de Hoge Raad alleen díé passages die de conclusie richting dienstbetrekking ondersteunen. Andere belangrijke onderdelen, zoals ondernemerschap, autonomie, individuele casuïstiek en sectorale wetgeving blijven buiten beeld. Ook leunt de Belastingdienst zwaar op adviezen aan de Hoge Raad en uitspraken van het (lagere) Hof, terwijl die ondergeschikt zijn aan de beoordeling van de Hoge Raad zelf. Zo ontstaat een selectieve juridische onderbouwing en daarmee creëert de Belastingdienst in feite haar eigen onnavolgbare toetsingskader. Terwijl het werkveld juist snakt naar duidelijkheid, trekt de Belastingdienst zich van niemand wat aan.
Eigen selectie Belastingdienst past bij polder argumenten
Nou ja, niemand? De Belastingdienst lijkt wel te luisteren naar de polder. De selectieve beoordelingscriteria van de Belastingdienst sluiten namelijk opvallend goed aan bij de doelstellingen van de polder. In dat polderdenken geldt al jaren het uitgangspunt het ‘dienstverband = norm‘ en in het derde concept VBAR wordt ‘inbedding = dienstverband‘ opnieuw sterk neergezet. Precies die logica komt terug in de manier waarop de Belastingdienst haar beoordeling doet. Inbedding zwaar aanzetten, ondernemerschap minimaliseren en sectorale wetgeving buiten beeld laten.
Het ontmoedigen van zzp-inzet door angst en onzekerheid te zaaien onder opdrachtgevers, past goed in het bredere anti-zzp beleid dat politiek en polder de afgelopen jaren lieten zien. Daardoor lijkt het toetsingskader van de Belastingdienst meer op een beleidsinstrument om vaste contracten te stimuleren, dan op een toets die aansluit op de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uiteindelijk is het aan de rechter om het recht weer te laten zegevieren. Wij verwachten dat in 2026 meerdere procedures gaan laten zien hoe groot het gat is tussen rechtspraak en de beoordeling van de Belastingdienst. Tot die tijd is het cruciaal dat zorgorganisaties zich goed laten voorlichten over hoe wet- en regelgeving daadwerkelijk bedoeld zijn en hoe je schijnzelfstandigheid kunt voorkomen.