Zes jaar lang wordt gemeten waarom zorgmedewerkers vertrekken. Zes jaar lang zijn de uitkomsten hetzelfde. En zes jaar lang worden dezelfde verbeteringen beloofd via landelijke akkoorden en landelijke programma’s. In dit artikel vatten we samen waarom zorgmedewerkers nog steeds hun werkgever verlaten.
Bronnen voor dit artikel
- Landelijk uitstroomonderzoek 2020
- Landelijk uitstroomonderzoek 2021
- Verdieping uitstroomonderzoek 2019 – 2021
- Verdiepend onderzoek uitstroom 2023
- Landelijk uitstroomonderzoek 2024
- Landelijk uitstroomonderzoek 2025
Zes jaar onderzoek, geen verandering in beleving
Het landelijke uitstroomonderzoek van RegioPlus wordt sinds 2019 uitgevoerd. Ieder jaar komt hetzelfde beeld naar voren. Zorgmedewerkers vertrekken niet omdat het vak niet bevalt, maar omdat de omstandigheden bij de werkgever structureel tekortschieten. Wat geven werknemers keer op keer aan?
Werkdruk blijft dé dominante reden om te stoppen. De combinatie van werk en privé blijft problematisch, onder andere door onregelmatige werktijden en belasting buiten werktijden om. Tegelijkertijd noemen medewerkers jaar op jaar het gebrek aan ontwikkelmogelijkheden en loopbaanperspectief als reden om het dienstverband te verlaten. Ook de problematische manier waarop het werk wordt georganiseerd, komt terug via onderwerpen zoals aansturing, invloed en zeggenschap. De taal binnen de onderzoeken verschilt per jaar, maar de inhoud niet. Dezelfde oorzaken keren telkens terug. Omdat de problemen niet worden opgelost.
Jarenlange beloftes via akkoorden, zonder effect
Tegenover die terugkerende redenen voor uitstroom, staan sinds 2018 een lange reeks aan zorgakkoorden en programma’s waarin juist op de pijnlijke thema’s beterschap werd beloofd. Het Actieprogramma Werken in de Zorg, (Ont)Regel de Zorg, tot aan meerdere ‘Integrale’ Zorgakkoorden en het programma ‘Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg & Welzijn’ zijn enkele voorbeelden van programma’s die de problemen op zouden lossen.
De beloftes gingen over het verlagen van werkdruk, het terugdringen van administratieve lasten en het creëren van meer tijd voor de patiënt en bewoner. Er is beloofd structureel te investeren in scholing, loopbaanpaden en aantrekkelijk werk om medewerkers te behouden. Ook op het vlak van aansturing en organisatie kwam iedere keer dezelfde lijn terug. Meer professionele autonomie, meer zeggenschap en meer vertrouwen in de zorgverlener. Ook wordt er al jaren gesproken over een betere werk-privébalans en duurzame inzetbaarheid, om mensen het werk ook op de lange termijn te laten volhouden. Op al deze punten is jarenlang verbetering beloofd, maar niet gekomen.
Horen slechte werkomstandigheden bij het vaste dienstverband?
Het probleem zit dus niet in onbekendheid met wat zorgprofessionals willen. Ook het gebrek aan beleid kan het niet zijn, want aan akkoorden en programma’s geen gebrek. Wat overblijft is dat de problemen die zorgmedewerkers hebben wel benoemd worden, maar niet opgelost. Daarmee krijgen problemen landelijk wel aandacht, maar komt het niet verder dan dat. Ondanks de enorme krapte en toenemende vergrijzing, neemt de uitstroom steeds grotere vormen aan. Inmiddels is het ministerie van Volksgezondheid zelfs gestopt met grootschalig landelijk werven in de zorg. De vraag is wat de aanpak richting de huidige vaste medewerkers nu wordt.
Zijn zorgorganisaties simpelweg niet in staat om goed werkgeverschap te organiseren? Of wordt het behoud van zorgprofessionals uiteindelijk niet écht gezien als prioriteit? In beide gevallen ligt de oorzaak niet bij de medewerker die vertrekt, maar bij de omstandigheden die blijkbaar horen bij het vaste dienstverband.
Flexibel werken als antwoord op een probleem dat al jaren blijft liggen
Als de oorzaken van uitstroom al jaren hetzelfde zijn, waar vinden zorgprofessionals wél wat ze zoeken? Een andere werkvorm dan het vaste dienstverband, zo blijkt. Uit onderzoek onder ruim 400 flexibel werkende zorgprofessionals ontstaat een duidelijk beeld. Flexibel werken lost het systeem niet op, maar compenseert voor wat er in loondienst misgaat.
- Waar werkdruk in vaste dienst structureel te hoog ligt, ervaren flexibel werkenden regie over hun inzet en de mogelijkheid om hun belasting te sturen;
- De werk-privébalans staat onder druk binnen vaste teams, terwijl flexibel werken ruimte biedt om werk af te stemmen op privé en herstel;
- Gebrek aan autonomie is een breekpunt in vaste dienst, maar flexibele professionals bepalen zelf hoe, waar en wanneer zij werken;
- Persoonlijke ontwikkeling blijft achter in vaste dienst, maar variatie bij opdrachten zorgt voor dynamiek en eigen regie over groei;
- Aansturing binnen organisaties knelt, waar flexibel werkenden juist meer professionele ruimte en minder afhankelijkheid van hiërarchie ervaren.
Flexibel werken biedt daarmee geen unieke voordelen, maar herstelt de werkomstandigheden die in loondienst al jaren ontbreken. Daarmee is flexibel werken geen oorzaak van uitstroom, maar het logische gevolg.
Waarom landelijk beleid de werkvloer niet bereikt
De afgelopen jaren is de arbeidsmarkt in de zorg vooral benaderd als een systeemprobleem. Via landelijke akkoorden, regionale samenwerkingen en sectorbrede programma’s is geprobeerd om verbetering te organiseren. De gedachte daarachter is voor te stellen. Als je op brede schaal stimuleert, verandert de praktijk vanzelf mee.
Het uitstroomonderzoek door werkgevers zelf laat zien dat dit niet zo werkt. De redenen waarom zorgmedewerkers vertrekken ontstaan niet op het niveau van akkoorden of koepels, maar in de dagelijkse praktijk binnen organisaties. Roosters die niet passen, structurele onderbezetting, beperkte invloed op de invulling van het werk en een gebrek aan ruimte om het vak op eigen manier uit te oefenen. Dat zijn geen vraagstukken die je landelijk oplost, maar heeft te maken met de kwaliteit van leiderschap binnen organisaties, locaties, afdelingen en teams. Daar zit de kloof.
Beleidsmatig wordt er gestuurd op thema’s als werkdruk, autonomie en duurzame inzetbaarheid, maar de vertaling naar de werkvloer bleef uit. Het uitschrijven van beleid betekent niet automatisch dat het effect heeft. Landelijk subsidies uitreiken aan koepels en regio’s, betekent niet dat je de werkomstandigheden van professionals binnen teams beïnvloedt. Uiteindelijk is de conclusie dat zorgorganisaties zijn blijven doen wat ze deden. Dus veranderde er voor de zorgprofessional niets.
De uitkomst is inmiddels zichtbaar in de cijfers. Dezelfde redenen voor uitstroom blijven terugkomen, jaar na jaar. Omdat ze in de praktijk niet worden opgelost. Zolang de werkvloer niet wordt beïnvloed, blijft ook de beweging van zorgprofessionals bestaan. Weg van omstandigheden die niet veranderen en op zoek naar werkvormen waarin die ruimte wél ontstaat.