Tien jaar geleden trok de overheid aan de noodrem. In 2016 werd de handhaving op schijnzelfstandigheid stilgezet omdat wetgeving te onduidelijk was om verantwoord te handhaven. Tien jaar later staan we op hetzelfde punt. De beloofde wetgeving die voor helderheid moest zorgen, is er niet gekomen. Dus bleef de onduidelijkheid. Toch werd de handhaving opgestart en doorgezet, terwijl uitvoerig bekend is hoeveel schade het veroorzaakt onder zelfstandig ondernemers. Zowel in 2016 als in 2026 was de VVD leidend bij de verantwoordelijke ministeries.
VVD in 2016: ‘Handhaven zonder duidelijkheid kan niet’
Het was VVD-staatssecretaris Eric Wiebes die in 2016 de kern van het probleem rondom de handhaving schijnzelfstandigheid duidelijk benoemde. In zijn tweede voortgangsrapportage schreef hij dat er “op dit moment veel onrust en onzekerheid bij opdrachtgevers en opdrachtnemers is over de wet DBA.” Hij constateerde dat “opdrachtgevers huiverig (zijn) zzp’ers in te huren” en dat zzp’ers “bang (zijn) hun opdrachten kwijt te raken”. De conclusie was kristalhelder. “..de handhaving is opgeschort tot de knelpunten zijn opgelost.”
Dit standpunt herhaalde Wiebes in het Kamerdebat van 8 december 2016. Hij zei dat “overduidelijk onzekerheid is ontstaan, ook onder de echte zelfstandigen” en dat “ook echte zelfstandigen worden geraakt”. Het probleem zat volgens hem in het “huidige begrippenkader”, dat “in sommige gevallen leidde tot een te groot grijs gebied”. Daarmee doelde hij op de huidige arbeidswetgeving. “We zijn toen tot de conclusie gekomen dat er echt een pas op de plaats nodig is. Dat betekent: nu in ieder geval tot 1-1-2018 geen handhaving.”
Handhaving moest pas terugkomen wanneer er “voor iedereen weer helderheid” was. “Dan past het ook weer om door te gaan, maar eerder niet.” Over boetes en naheffingen tijdens zei hij: “Dat moeten we niet doen en dat zou nergens op slaan.” De conclusie voor de VVD-staatssecretaris was dat handhaving zonder duidelijke kaders schade zou veroorzaken. Juridisch, economisch en maatschappelijk. De VVD-lijn van 2016 was dus: eerst duidelijkheid, dan handhaving. Niet andersom.
VVD in 2026: ‘Handhaven met onduidelijkheid kan wel’
Anno 2026 is het dossier ‘handhaving’ verschoven van het ministerie van Financiën naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Sinds dat ministerie het dossier onder haar hoede heeft is de toon gewijzigd. Ook op dit moment zit een VVD bewindspersoon op het dossier, maar is van het standpunt ‘eerst duidelijkheid’ uit 2016 geen sprake meer.
Alhoewel minister Thierry Aartsen (VVD) spreekt over rust, duidelijkheid en ruimte voor echte zelfstandigen, voert hij een tegenovergesteld beleid dat onrust en onzekerheid op de arbeidsmarkt in stand houdt. In zijn Kamerbrief van 9 april 2026 erkent Aartsen dat “de wetgeving ten aanzien van de kwalificatie arbeidsrelaties niet is gewijzigd”. Toch is het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 opgeheven, ondanks dat duidelijkheid uitblijft. Ja, opdrachtgevers blijken huiverig om zzp’ers in te huren. Ja, zelfstandig ondernemers zijn opdrachten kwijtgeraakt.
Onder het kopje “Geen zigzagbeleid: handhaving blijft nodig” schrijft Aartsen in zijn brief dat “het kabinet blijft inzetten op handhaving op schijnzelfstandigheid”, onder het mom van dat “de markt niet is gebaat bij zigzagbeleid, maar bij voorspelbaarheid en duidelijke spelregels.” Die duidelijke spelregels zijn er op dit moment niet, maar daar stapt Aartsen als minister overheen. Hij wijst op het nieuwe wetgevingstraject van de Zelfstandigenwet, dat op zijn vroegst in 2028 duidelijkheid zal geven. In de tussentijd wordt handhaven ondanks de bestaande onduidelijkheid verdedigt.
VVD maakt 180 graden draai
Daarmee maakte de politieke logica van VVD bewindspersonen een 180 graden draai. Waar Wiebes destijds handhaving opschortte omdat het grijze gebied te groot was, zegt Aartsen dat handhaving door moet gaan omdat het moratorium te lang heeft bestaan. In het interview met ZiPconomy zegt Aartsen dat de huidige situatie “suboptimaal” is, omdat Nederland nog steeds nergens wettelijk heeft geregeld “wanneer je nou zelfstandig bent” en dat er “behoefte is aan meer duidelijkheid dan alleen maar de jurisprudentie”. Die duidelijkheid is er niet en was in 2016 reden voor de VVD om níet te handhaven. De argumenten zijn dus hetzelfde gebleven, alleen de conclusie is veranderd.
Sinds 2016: rechtspraak bracht geen échte duidelijkheid
Als onduidelijke wetgeving de kern van het probleem is, dan is dat probleem onveranderd gebleven. De beoordeling van arbeidsrelaties is nog steeds gebaseerd op dezelfde wettelijke grondslag uit het jaar 1907. De criteria ‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezag’ in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek zijn leidend. Die ‘open norm’ is in de afgelopen tien jaar niet gewijzigd. Alhoewel de rechtspraak de norm verder heeft ingevuld, heeft dit niet geleid tot harde, objectieve criteria.
- Het Deliveroo arrest van de Hoge Raad bevestigde dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie plaatsvindt op basis van “alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien”. Daarmee werd de zogenoemde holistische toets opnieuw benadrukt. De Belastingdienst houdt zich hier in de praktijk al lang niet meer aan en oordeelt over hele (beroeps)groepen aan zzp’ers of hele sectoren;
- Uitspraken rondom platformwerk zoals Uber, heeft de lijn van iedere casuïstiek apart, bevestigd. De beoordeling moet per geval, afhankelijk van de context. Dat betekent dat de rechtszekerheid waar in 2016 naar werd gezocht, juridisch gezien niets nieuws bracht. Sterker nog, het aantal relevante factoren in de beoordeling is toegenomen. Daarmee ook de complexiteit van de beoordeling;
- Nieuwe beloofde wetgeving bleef uit. De Wet DBA die in 2016 juist aanleiding was voor het handhavingsmoratorium, is nooit vervangen. Pogingen om tot nieuwe wetgeving te komen zoals de Wet VBAR, nam ‘inbedding = dienstverband‘ als onhoudbaar uitgangspunt. De politiek verspilde er jaren aan. Die jaren deed het moratorium keer op keer verlengen.
Vervolgens liep het handhavingsmoratorium in 2025 af, zonder dat de reden voor dat moratorium werd opgelost. De rechtspraktijk in 2026 verschilt niet van die in 2016. Nog steeds geldt een open norm. Nog steeds bepaalt de rechter achteraf. Nog steeds ontbreekt een heldere, voorspelbare toets vooraf. De zzp’er betaalt inmiddels de prijs van jaren aan politiek verspilde energie.
Bezorgdheid uit 2016 werd bewaarheid, toch gaat de handhaving door
Alle inhoudelijke factoren die in 2016 pleitten tégen handhaving zijn blijven bestaan. De open norm is voor de praktijk onvoldoende concreet. Individuele toetsing is zonder goed werkende webmodule niet schaalbaar. De arbeidsmarkt is inmiddels fors verstoord geraakt door de handhaving; zelfstandig ondernemers worden hard geraakt. De beloofde duidelijke wetgeving is er nog lang niet. Toch is het moratorium beëindigd en de handhaving hervat.
Daar bovenop komt dat wat schijnzelfstandigheid precies is, onduidelijk blijft. Waar het zit en hoe groot het is, weet ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) niet te onderbouwen. De sfeer op de website www.hetjuistecontract.nl past bij de houding van de Belastingdienst. ‘Zzp mogelijkheden liggen niet voor de hand’. De omstandigheden zijn dus nog slechter te noemen dan destijds in 2016 werd voorspeld.
Toch gaat de handhaving door.
De bron van het wisselende standpunt? In 2016 lag de regie van dit dossier bij het ministerie van Financiën, met de Belastingdienst als uitvoerende organisatie. Onder Karien van Gennip (CDA) werd het ministerie van SZW sinds 2022 leidend op dit dossier. Dat is van betekenis. Financiën keek naar uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. SZW kijkt naar de arbeidsmarkt en bescherming van werkenden. Binnen dat denkraam is het uitgangspunt dat het vaste dienstverband de norm is. ‘Zorgvuldige handhaving’, werd het bestrijden van zzp’ers. Want de handhaving op schijnzelfstandigheid is inmiddels handhaving op zzp geworden.
Waarom zou een Zelfstandigenwet de problemen oplossen?
Als de huidige wetgeving al niet consequent en zorgvuldig wordt toegepast door de Belastingdienst, en als het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen bewijs over schijnzelfstandigheid nodig heeft om erop te handhaven, waarom zou nieuwe wetgeving dat probleem dan wel oplossen?
De Zelfstandigenwet wordt door deze VVD-minister gepresenteerd als het moment waarop eindelijk duidelijkheid ontstaat, ergens in de toekomst. Dat is precies dezelfde belofte die in 2016 werd gedaan. Toen was het uitgangspunt nog: eerst duidelijkheid, dan handhaving. Nu is dat omgedraaid: eerst handhaving, daarna misschien duidelijkheid.
De discussie gaat niet langer over wat juridisch klopt of praktisch werkt, maar over politieke geloofwaardigheid. Duidelijkheid is geen voorwaarde meer om te handhaven. Bestaande regels worden anders toegepast dan bedoeld. Nieuwe regels worden gepresenteerd als oplossing, terwijl bestaande regels al niet worden nageleefd.
Waarom zou deze belofte dit keer wél geloofwaardig zijn?