De VVT sector gaf in 2024 € 2,5 miljard uit aan externe inhuur; 6% meer dan het jaar ervoor. Deze inhuur bestond voor het leeuwendeel uit zzp’ers in de zorg. Toen kwam 1 januari 2025, door veel zorgorganisaties gezien als een datum waarop zzp inzet volledig omgebogen moest worden naar dienstverband. Dit werd een schokgolf voor vast personeel, want voor de VVT sector was de afhankelijkheid van zzp’ers in 2024 juist groter dan ooit.
Gevolgen handhaving in beeld
- De sector Verzorging, Verpleging en Thuiszorg (VVT) heeft het grootste aantal zzp’ers;
- De VVT was in 2024 voor 13% afhankelijk van externe flex: € 2,5 miljard aan uitgaven;
- Zorgorganisaties probeerden op 1 januari in één klap radicaal afscheid te nemen van zzp’ers;
- Dat is niet gelukt, de inzet van zzp’ers in de zorg neemt weer toe;
- Inmiddels breekt de VVT sector nieuwe records met landelijk verzuim van bijna 10%;
- Een nieuw onderzoeksrapport laat zien dat strategisch personeelsbeleid ontbreekt.
Onderzoekers BDO: ‘méér inhuur, ondanks naderende handhaving?’
De kosten voor externe inhuur in de VVT zijn in 2024 opnieuw gestegen, naar € 2,5 miljard. Ondanks de aangekondigde verscherping van de handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 januari, is er toch zo lang mogelijk gebruik gemaakt van zzp’ers. Het aandeel van extern personeel blijft ook in 2024 steken op 13% van de totale personeelskosten, een niveau dat door de consultants van BDO als niet verantwoord wordt beschouwd. De onderzoekers geven aan dat de inzet van zzp’ers inmiddels structureel geworden is, terwijl de sector juist voor de opdracht zou staan om deze af te bouwen. Dat is niet gelukt. Aan de ene kant blijven instellingen afhankelijk van externen om de roosters rond te krijgen, aan de andere kant willen zij financiële risico’s met mogelijke schijnzelfstandigheid beperken. BDO waarschuwt dat zonder koerswijziging, de kwetsbaarheid van zorgorganisaties verder toeneemt. Die koerswijziging zou vooral moeten zitten op – niet geheel verrassend – goed werkgeverschap en betere personeelsplanning.
Gevolgen na 1 januari zijn niet heel anders dan ervoor
Het is op zichzelf bijzonder te noemen dat zorgorganisaties de 1 januari 2025 datum als een kantelpunt zijn gaan zien. De wet DBA is namelijk niet gewijzigd per die datum en de risico’s lagen voor die datum niet wezenlijk anders dan erna. Het hardnekkige beeld dat zzp inhuur vanaf 1-1-2025 niet meer zou kunnen, is een veel voorkomende misvatting. Sterker nog, het is misschien niet heel verstandig om als zorgbestuurder openlijk in de media te roepen dat jouw zzp’ers schijnzelfstandig zijn. Daarmee beken je in feite dat de zzp’ers al jaren verkeerd zijn ingehuurd en neemt de organisatie veel risico. In de praktijk blijken de naheffingen van de Belastingdienst (te berekenen vanaf 1-1-2025 en verder), veel minder gevaarlijk dan de financiële klap van de zorgmedewerker zelf. Een ex-zzp’er mag namelijk tot vijf jaar terug werknemersfaciliteiten claimen bij bewezen schijnzelfstandigheid.
Balans vast – flex + ‘verantwoorde’ inhuur
Terug naar het BDO rapport. De consultants raden zorgorganisaties aan om grip te krijgen op hun externe inhuur en vooral goed zorg te dragen voor eigen personeel.
“Zorginstellingen moeten hun strategisch personeelsbeleid ingrijpend herzien.” – BDO Benchmark Ouderenzorg 2025
Een veel gehoord standpunt is dat de vast – flex verhoudingen binnen organisaties weer in balans moet komen. Hoe komt zo’n balans tot stand als er teveel flex zou zijn? Voor zorgmedewerkers zelf is de keuze voor een vast dienstverband afhankelijk van de kwaliteit van dat dienstverband. Als het dienstverband passend is, neemt de kans op meer vaste medewerkers toe. Voor het ministerie van Volksgezondheid en het ministerie van Sociale Zaken ligt de oplossing in dwang naar een vast dienstverband door het stapelen van flex maatregelen. De aanpak schijnzelfstandigheid is volgens de minister van VWS een manier om “de balans te herstellen in organisaties waar het aandeel zzp’ers te groot werd”.
Om die reden zijn maatregelen tegen flex voor de ministeries een legitieme route. Hoeveel flex is dan wél verantwoord?
6% PNIL: “operationeel verantwoord”
De onderzoekers van BDO geven bij een rapport over ziekenhuizen en UMC’s aan dat een aandeel van 6% personeel niet in loondienst (PNIL) als “operationeel verantwoord” wordt gezien. Om als organisatie voldoende wendbaar te blijven wil je niet al je personeel zelf op de loonlijst hebben staan. Zeker niet met een hoog verzuimpercentage. Om bij ‘piek en ziek‘ toch de continuïteit van zorg te borgen, is externe inhuur verstandig. In het geval van de zorg is 6% dus blijkbaar te verdedigen.
13% PNIL: “operationeel on-verantwoord”
BDO’s analyse van de ouderenzorg laat zien dat de externe inhuur daar al langer zo’n 13% van de personeelskosten bestaat. Dat betekent dat van elke euro aan personeel zo’n € 0,13 naar externen gaat. Dit telt op tot € 2,5 miljard aan Personeel Niet In Loondienst (PNIL) in 2024. Hoewel BDO vaststelt dat in 2022, 2023 en 2024 de uitgaven aan PNIL ongeveer hetzelfde bleven, wordt dit toch “operationeel onverantwoord” genoemd. Blijkbaar brengt 13% de continuïteit, kwaliteit en financiën wél in gevaar.
Wat is “operationeel verantwoord” in andere sectoren?
In andere sectoren dan de zorg varieert het percentage van een “operationeel verantwoorde” inhuur fors. De Rijksoverheid hanteert voor haarzelf de zogeheten Roemernorm, die stelt dat externe inhuur niet structureel meer dan 10% van de totale personeelslasten mag zijn. In de praktijk wordt die norm vaak niet gehaald. In sommige overheidsdiensten, zoals IT-afdelingen, ligt het aandeel externe inhuur boven de 40%.
In het onderwijs vallen de PNIL-uitgaven juist mee. Het primair en voortgezet onderwijs zitten rond de 4–5% externe inhuur. Toch maakt het onderwijs ook vaak het verwijt dat zzp’ers daar niet thuis horen en er teveel zzp’ers aanwezig zouden zijn. In de commerciële sector, zoals zakelijke dienstverlening en industrie, komt het voor dat 15% tot 25% van het personeel extern is. Dit percentage is vooral door arbeidsmarktkrapte gegroeid, of vanwege de behoefte aan een projectmatige inzet.
Het oordeel wel of niet “operationeel verantwoord” binnen de zorg, lijkt dus gebaseerd te zijn op de Roemernorm van de Overheid. Die zij overigens zelf niet haalt. Daar bovenop heeft de Overheid een landelijk verzuimpercentage van 6,9% onder eigen medewerkers en raakt de VVT sector inmiddels de 9.7%. Dat verschil van 30% extra verzuim lijkt niet meegenomen te worden in het oordeel ‘operationeel verantwoord’ of niet. De norm is blijkbaar 10%, ongeacht de omstandigheden. Dit leidt tot beleidsmaatregelen die flex moeten beperken. Terwijl het vaste dienstverband niet op orde is.
Verhouding vast / flex herstelt bij goed dienstverband
Terwijl het verzuim onder vaste medewerkers in de zorg jaar in jaar uit stijgt, nam de externe inhuur aan zzp’ers niet zomaar toe. Al jaren ligt het percentage in de VVT op zo’n 13% externe inhuur, bij – inmiddels – een kleine 10% aan verzuim onder vaste medewerkers. Dat de inhuur ongeveer gelijk gebleven is, mag een prestatie genoemd worden, als je het vergelijkt met andere sectoren. Daar ligt het landelijk verzuim op een kleine 5%, maar ligt de externe inhuur soms veel hoger dan 13%. Dat de afhankelijkheid van zzp’ers in 2024 desalniettemin groter dan ooit was binnen de VVT, is daarom niet vreemd. Dat het kabinet bewust op zoek is naar belemmerende maatregelen tegen flexibele inzet in de zorg is bijzonder te noemen.
Ondertussen blijft het doel van gezonde vast – flex verhoudingen overeind. Terecht. De manier waarop zou echter via goed werkgeverschap en strategisch personeelsbeleid moeten verlopen, in plaats van via dwang richting een dienstverband. De praktijk laat namelijk zien dat als zorgprofessionals niet langer op een flexibele wijze kunnen werken, zij de zorg verlaten. Dit hebben professionals lang en breed aangekondigd. De gevolgen van de aanpak schijnzelfstandigheid voor de uitstroom uit de zorg benoemde de minister van Volksgezondheid tot nu toe nog niet. BDO doet dat wel en waarschuwt dat “een deel van de inleenkrachten bovendien de sector verlaten”, als zorgorganisaties externe inhuur moeten afbouwen zonder dat daar aantrekkelijk vast werk tegenover staat.