De afgelopen jaren is een frame verteld dat schijnzelfstandigheid een groot en groeiend maatschappelijk probleem is. Het kabinet erkent nu expliciet geen zicht te hebben op de omvang van schijnzelfstandigen, welke sectoren risicovol zouden zijn of wat de precieze definitie van schijnzelfstandigheid is.
Minister SZW over schijnzelfstandigheid: geen idee
In voorbereiding van een plenair Kamerdebat op 23 februari 2026, heeft de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergaderd over de begroting voor volgend jaar. De aanpak schijnzelfstandigheid was onderwerp op de agenda. In een verslag valt terug te lezen welke vragen zijn gesteld aan de minister en welke antwoorden hierop zijn gegeven. Wat zegt de minister SZW samengevat over schijnzelfstandigheid?
Hoeveel schijnzelfstandigheid er in Nederland is, is onbekend. Harde cijfers over het aantal schijnzelfstandigen ontbreken. Wanneer er precies sprake is van schijnzelfstandigheid kan de minister niet onder woorden brengen. Waar schijnzelfstandigheid precies zit en welke sectoren ‘risicovol’ zijn, valt ook niet te onderbouwen. Daarnaast erkent de minister dat iedere opdracht van iedere zzp’er afzonderlijk beoordeeld moet worden om iets te kunnen zeggen over schijnzelfstandigheid. Terwijl de Belastingdienst met enkele tientallen fte’s landelijk werkt op dit dossier.
Geen idee over omvang schijnzelfstandigheid
In het begrotingsverslag erkent de minister van SZW dat het kabinet geen betrouwbare gegevens heeft op de omvang van schijnzelfstandigheid. “Het meten van de omvang en groei van het aantal schijnzelfstandigen … is niet één op één te geven, doordat schijnzelfstandigheid zich grotendeels buiten het zicht afspeelt.” Ook harde cijfers ontbreken. “Harde gegevens over het aantal schijnzelfstandigen in Nederland zijn er dan ook niet.” De minister trekt daar zelf de conclusie uit: “Dat betekent dat het niet mogelijk is om de problematiek van schijnzelfstandigheid precies te kwantificeren.” Zelfs het jarenlang gebruikte getal van ‘200.000 schijnzelfstandigen’ blijkt niet meer dan een nattevingerwerk. Het is “een logische ruwe inschatting … omgeven met de nodige onzekerheid en die met de nodige voorzichtigheid moet worden gehanteerd.” Oftewel; de minister heeft geen idee hoe groot het probleem is.
Toch wist minister van Gennip medio ’24 te vertellen dat er 200.000 schijnzelfstandigen zouden zijn.
Geen idee over risicovolle sectoren
Ook over de verdeling van schijnzelfstandigheid per sector heeft de minister geen informatie. In Antwoord 17 stelt hij dat het kabinet geen sectoranalyse kan maken, omdat de onderliggende gegevens ontbreken. “Daardoor is het ook onmogelijk om een uitspraak te doen over schijnzelfstandigheid op sectorniveau.” Daarmee valt de frame van ‘risicosectoren’ weg, dat jarenlang door ministeries, vakbonden, hoogleraren en media is gebruikt alsof het feitelijk onderbouwd was. De minister geeft aan dat er geen aanwijzing is dat schijnzelfstandigheid zich concentreert in een specifieke branche, zoals de zorgsector. Oftewel, de minister heeft geen idee waar schijnzelfstandigheid zit en welke sectoren er meer of minder last van zouden hebben.
Toch wist Randstad medio ’24 te vertellen dat 80%-95% van alle zzp’ers in de zorg schijnzelfstandig zou zijn.
Geen idee over wat schijnzelfstandigheid precies is
Zelfs over de definitie van schijnzelfstandigheid durft de minister in het verslag geen duidelijke omschrijving te geven. In plaats van helder te formuleren wat het kabinet onder schijnzelfstandigheid verstaat, verwijst hij naar andere stukken. Daarmee laat het ministerie zien dat er geen eigen, concrete definitie is. Ruim drie jaar geleden schreven we al dat de definitie van ‘schijnzelfstandigheid’ verschilt en dat dit problemen zou veroorzaken. Ook erkent de minister dat het grijze begrip schijnzelfstandigheid zich hierdoor “grotendeels buiten het zicht afspeelt”, van “(schijn)zelfstandigen en hun opdrachtgevers zelf.” Oftewel, de minister erkent dat het kabinet zelf, Belastingdienst, zzp’ers en opdrachtgevers niet kunnen uitleggen wanneer er precies sprake is van schijnzelfstandigheid.
Toch wist Hoogleraar arbeidsrecht Verhulp in te schatten dat de helft van alle 1,3 miljoen zzp’ers schijnzelfstandig zou zijn.
Iedere opdracht van iedere zzp’er moet getoetst worden
De minister maakt in het verslag duidelijk dat schijnzelfstandigheid nooit generiek kan worden vastgesteld. Niet per sector, niet per organisatie en zelfs niet per functie. Iedere losse zzp opdracht moet afzonderlijk beoordeeld worden. In Antwoord 139 stelt hij “Of sprake is van schijnzelfstandigheid is bovendien alleen per arbeidsrelatie (per casus) vast te stellen.” Iedere opdracht afzonderlijk betekent telkens opnieuw, per opdrachtgever en per werkafspraak. Daarmee blijkt het dus niet mogelijk om groepen zzp’ers, beroepsgroepen, instellingen of hele sectoren als ‘risicovol’ te bestempelen. Oftewel, de minister erkent dat je dus op geen enkele manier iets algemeens kunt zeggen over schijnzelfstandigheid.
Toch weet de Belastingdienst voor de hele beroepsgroep zzp huisartsen te bepalen dat zij schijnzelfstandig zouden zijn.
De ‘aanpak schijnzelfstandigheid’: waar staan we?
Sinds 1 januari 2025 is de ‘aanpak schijnzelfstandigheid’ op volle kracht van start gegaan. Waar staan we eind van het jaar?
- Het is nog steeds onbekend hoe groot het probleem is waar deze aanpak de oplossing voor zou moeten zijn;
- Over alle sectoren heen worden zelfstandig ondernemers geraakt als gevolg van deze aanpak;
- Hoe je op de juiste manier DBA wet- en regelgeving volgt, is nog steeds onbekend. Wel wordt er gedreigd met boetes;
- De Belastingdienst is in de zorgsector gestart, terwijl het onmogelijk blijkt om de zorgsector als ‘risicosector’ te zien;
- Gevolgen in de zorg lopen inmiddels uiteen van overbelasting vaste medewerkers tot aan krimpende zorgcapaciteit.
Wie is er tevreden over de aanpak schijnzelfstandigheid?
Het hele debat over schijnzelfstandigheid blijkt gebouwd op aannames, frames en politieke mantra’s. Ja, zzp’ers zitten in een desinformatie campagne over schijnzelfstandigheid. Terwijl zelfstandig ondernemers worden geweerd en sectoren het stigma risicovol opgeplakt kregen, blijkt het kabinet zelf geen zicht te hebben op de omvang van het probleem. Hoe is het mogelijk dat beleid zonder enige feitelijke onderbouwing toch tot uitvoer kan komen? Er moet iemand blij zijn met de aanpak schijnzelfstandigheid.
De polder is tevreden met de wet DBA en de huidige handhaving. Ondanks een totaal gebrek aan feiten over de omvang, aard of sectorale risico’s van schijnzelfstandigheid, mag alles blijven zoals het is. Een ‘nieuwe zzp wet voegt weinig toe’, zo stellen de sociale partners. Zij vinden dat de handhaving van de DBA “zijn werk moet doen” en dat aanvullende spelregels alleen maar zouden “verwarren” en “vertragen”. Daarmee wordt duidelijk dat de polder geen behoefte heeft aan duidelijkheid, rechtszekerheid of werkbare criteria voor zelfstandigen en opdrachtgevers. Terwijl zorgorganisaties, beroepsverenigingen, intermediairs en zelfstandigenorganisaties smeken om helderheid, kiest de polder expliciet voor het behoud van de huidige onzekerheid. Die onzekerheid werkt namelijk in hun voordeel: hoe meer angst voor handhaving, hoe vaker werkenden zich gedwongen voelen tot een vast dienstverband. De aanhoudende onrust rond schijnzelfstandigheid is geen beleidsfout, maar een strategie.
De vraag is wat de nieuwe coalitie hiermee gaat doen. Doorzetten, corrigeren, of eindelijk kiezen voor duidelijkheid voor de mensen die het werk doen.